Lang leve alle kinderboeken

Veel kinderen lezen liever spannende dan goede boeken. De schrijvers van dit soort jeugdliteratuur worden vaak geminacht. Maar in feite bevorderen ze het lezen meer dan hun gelauwerde collega's met literaire pretenties.

Althans, dat schreef Paul Steenhuis twee weken geleden in `Beschermt ons kroost tegen het goede boek'. Joke van Leeuwen en Judith Eiselin dienen hem van repliek.

Waar blijft de P.C. Hooftprijs voor Toon Kortooms? Wanneer wordt Fatale Vlam, deel honderdenzoveel van de Intiemreeks, genomineerd voor een literaire onderscheiding? Waar blijft in kranten en weekbladen de aandacht voor streekromans, voor avonturenseries, science fictionboekjes en doktersromans? Het gros van de Nederlandse volwassenen leest geen Shakespeare of Goethe of Dante, maar haalt zijn `leesplezier' uitsluitend uit dit soort genres. Toch is er geen officiele erkenning voor. Niemand die zich erover opwindt.

En dan nu het kinderboek een vorm van literatuur waarvoor volgens Paul Steenhuis (`Beschermt ons kroost tegen het goede kinderboek') hele andere normen gelden. Wee de recensent van kinderboeken die de krenten uit de pap wil halen en zijn ene stukje per week reserveert voor iets nieuws en bijzonders. Weg met de bibliothecaris die zich beijvert kinderen iets anders dan wat ze vanzelf al kiezen, aan te reiken. Schande over de leerkracht die voorleest uit een boek met `door volwassenen geprezen inhoudelijke of stilistische kwaliteiten'. Onmensen zijn het, deze `leesbevorderaars', `kinderhaters' `leesverpesters' op zijn minst.

Steenhuis trekt ten strijde tegen windmolens en oude koeien. Naar het verderfelijk soort leesbevorderaars dat volgens hem ons land bevolkt, van wie een kinderboek bijvoorbeeld niet goed zou mogen aflopen, is het met een kaarsje zoeken. Uit geen jeugdbibliotheek zijn de door Steenhuis zo geliefde serieboeken verbannen. Geen indiaan, geen paardenmeisje, geen vampier of Hollands heldenkoppel in een plompe boot ontbreekt. De door Steenhuis genoemde griezelboeken van Paul van Loon, momenteel immens populair onder kinderen, worden door de jeugdbibliotheken juist in groten getale aangeschaft.

En terecht.

Met het dedain onder leesbevorderaars voor boeken als van Paul van Loon valt het, anders dan Steenhuis suggereert, alleszins mee. Dat blijkt alleen al uit de grote tentoonstelling die het Letterkundig Museum te Den Haag vorig jaar aan het genre griezelboek wijdde. Van Loon schreef in 1997 bovendien het gratis boekje van de kinderboekenweek. Niemand die dit veroordeelde. De per jaar wisselende keuze voor de auteur van het kinderboekenweekgeschenk doet recht aan alle verschillende genres die er in de (jeugd)literatuur bestaan.

Ook uit andere `leesbevorderende activiteiten' blijkt zelden of nooit de betutteling van kinderen die Steenhuis zo verfoeit. Tijdens de Nationale Voorleesdag kiezen de deelnemers zelf hun boek. De een leest met holle stem voor uit Van Loon de ander griezelt liever met Wim Hofman. In handreikingen aan ouders zoals de Voorleesgids, zijn alle genres kinderboeken vertegenwoordigd. Zo ook in het jaarlijkse gidsje voor jongeren S.Y.P.R.A.B (Shock your parents read a book), waarin pubers over hun lievelingsboeken vertellen.

Paul Steenhuis verzwijgt in zijn stuk het bestaan van de Kinderjury. Heel leesbevorderend Nederland beijvert zich jaar in, jaar uit voor de deelname van zoveel mogelijk kinderen aan deze publieksprijzen. Kinderen in verschillende leeftijdscategorieen kiezen hun favoriete boek. De prijzen van de Kinderjury zijn alom bekend en krijgen veel aandacht in de media. Niemand die het belang ervan ontkent.

Naast de publieksprijzen bestaan er voor kinderboeken, net als voor overige literatuur, prijzen van vakjury's zoals de Gouden en Zilveren Griffels. De uitkomst van de verkiezingen verschilt vaak, net als bij overige literatuur.

Niet altijd trouwens: een auteur als Roald Dahl vond in het verleden overal erkenning.

Zaligmakend zijn noch de prijzen van de Kinderjury, noch de Griffels. Alle prijzen hebben bestaansrecht. Een kinderboek is hoe dan ook een volwassen literaire prestatie, waar zowel volwassenen als kinderen over kunnen oordelen. Elk op hun eigen wijze, binnen hun eigen beperkte kader.

De Griffeljury is geen elitair grachtengordelgebeuren, zoals sommige volwassenen literatuur-jury's. De samenstelling is een dwarsdoorsnede van volwassenen die zich uit hoofde van hun beroep met kinderboeken bezighouden, zoals een bibliothecaris, een leerkracht een boekhandelaar en een recensent. Dat is te zien aan de prijzen, maar Steenhuis wil het niet zien. De Gouden Griffel ging in 1997 bijvoorbeeld naar de huis-tuin-en-keuken-belevenissen van het jongetje Robin door Sjoerd Kuyper. Goed geschreven huis-tuin-en-keuken-belevenissen, dat wel.

Het lijkt nogal mee te vallen met de macht van al die met verboden zwaaiende leesbevorderaars, zo ze al bestaan. Uit bijvoorbeeld het aantal Kameleon-boeken dat sinds 1948 verkocht is (dertien miljoen) blijkt dat haast geen kind ze gemist kan hebben. Mocht Steenhuis alsnog wakker liggen van de gedachte aan alle zielige kindertjes die opgescheept worden met uitsluitend boeken vol lagen en symbolen, dan doet hij er goed aan eens op te zoeken welke boeken de laatste jaren de Venz-prijs voor het best verkochte kinderboek wonnen. Kinderen worden helemaal niet weggehouden van wat ze zelf graag lezen.

Geen zinnig mens ontkent het plezier dan wel het nut dat serieboeken kinderen bieden. Dat is ooit anders geweest, beweert Steenhuis terecht. Maar de tegenstemmen, die net zo goed in elk tijdvak klonken, verzwijgt hij.

Mensen als Godfried Bomans Theo Thijssen en Guus Kuijer, om er maar een paar te noemen.

De critici die Steenhuis zo gretig citeert, houden al zo'n jaar of twintig hun mond. Niemand die nog beweert dat kinderboeken middelen tot een maatschappijkritische opvoeding moeten zijn. Niemand die zich nog opwindt over het voortbestaan van het kapitalistisch systeem door denkpatronen in kinderboeken. Niemand die zich nog druk maakt over het al dan niet voorkomen van `pikkies' in de jeugdliteratuur. Paul Steenhuis doet alsof dit soort kritiek zich tot schrijvers van serieboeken richtte, en incidenteel tot iemand als Annie M.G. Schmidt. Maar niemand ontkwam aan de gekte. Bijvoorbeeld ook Astrid Lindgren werd verketterd: De Gebroeders Leeuwenhart zou aanzetten tot escapisme of zelfs zelfmoord. Mensen met dit soort meningen worden inmiddels algemeen als bespottelijk beschouwd.

Paul Steenhuis besluit zijn artikel met de opmerking dat juist kinderen die serieboeken als Arendsoog, de Kameleon of griezelboeken lezen, later naar Mulisch, Reve of Plato zullen grijpen. Wie een `verantwoord, bekroond kinderboek' leest, verkeert met andere woorden in groot gevaar. Voor je het weet is een leeshater geboren; misschien zelfs wel zo iemand die als volwassene enkel Baantjer of Kortooms of Konsalik leest! Steenhuis' stemmingmakerij is niet serieus te nemen. Het levert hoogstens wat leesplezier op.