Jan en Annie Romein: Erflaters van onze beschaving, 1938; De oogst van onze eeuw

Zestig jaar geleden verscheen de eerste druk van het eerste deel van Erflaters van onze beschaving, een boek dat een spreekwoordelijk standaardwerk is geworden en dat ruim tien maal herdrukt is.

Zo'n boek was nooit eerder geschreven. Als voorloper verwezen de auteurs naar Het land van Rembrand van Conrad Busken Huet, dat in 1882-1884 verschenen was. Maar dat boek behandelde de zestiende- en zeventiende eeuw en bevatte bovendien in een ruime context maar een paar biografieen.

De Erflaters bestaat uit 36 hoofdstukken, elk gewijd aan een invloedrijk persoon uit het Nederlandse verleden (35 mannen en een vrouw: Betje Wolff). Van de middeleeuwen tot het begin van de twintigste eeuw. Van de veertiende-eeuwse Leidse regent Filips van Leiden via uiteenlopende personen als Simon Stevin, Johan de Witt, Herman Boerhaave, Frans Hemsterhuis, Jan Rudolf Thorbecke tot aan H.P. Berlage en Herman Gorter toe. Het zijn niet alleen staatkundige of militaire figuren, maar ook lettterkundigen, natuuronderzoekers en kunstenaars. Negentien portretten zijn van de hand van Jan en zeventien van die van Annie.

Vier jaar eerder was hun andere gezamenlijke standaardwerk De lage landen bij de zee verschenen. Ook dit mag men een bestseller noemen. De lage landen was een boek op marxistische fundamenten al klinkt dat dreigender dan het in de praktijk is uitgepakt. Het is een stevig overzicht waarin de historische ontwikkelingen consequent worden afgeleid van de wijze waarop de bewoners van ons land zich in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Het accent ligt dan ook op de economische ontwikkelingen. Het is een boek waar de individuele mens vrijwel niet lijkt te bestaan en waarin hij zeker niet optreedt als een invloedrijke actor in het historisch proces. Toch was dit geen ideologische, maar een praktische beslissing. Het echtpaar meende namelijk dat in marxistische geschiedschrijving de dramatis personae wel degelijk tot hun recht moesten komen. Maar in de Lage Landen was daar eenvoudigweg geen plaats voor geweest. En zo besloten ze tot de Erflaters, waarbij direct de vraag oprees welke erflaters? Ze wikten en wogen en kwamen tot een defintieve keuze. Inmiddels is ook bekend wie ze destijds hebben laten afvallen.

Het boek was een succes en werd geprezen door invloedrijke schrijvers als Geyl, Ter Braak en Du Perron. Maar is het nu nog te lezen? Eigenlijk niet. Of liever gezegd niet als een `populaire' studie over het Nederlandse verleden. Wel als voorwerp van onderzoek, als een voorbeeld van geschiedschrijving, als een sympathiek fossiel uit een ver verleden. Het is om verschillende redenen niet meer te lezen. Het boek geeft wel een staaltje belezenheid ten beste, maar het historisch onderzoek heeft in die tijd ook niet stilgestaan. Veel is achterhaald omdat er nieuwe bronnen zijn ontdekt of omdat er nieuwe artikelen, biografieen en briefwisselingen zijn gepubliceerd. Het meest van alle erlaters zijn vermoed ik, Erasmus, Rembrandt en Van Gogh met nieuw onderzoek bedacht.

In latere drukken zijn hier en daar inlassingen opgenomen, maar ook die raken zijn al weer achterhaald. Zo gaat dat nou eenmaal en dat zou niet erg zijn - men kan ook nog met plezier Herodotus, Tacitus en zelfs P.C. Hooft of Fruin lezen. Maar er is een tweede reden waarom het lezen van de Erflaters geen onverdeeld genoegen is: de stijl. Het is vaker opgemerkt dat Jan Romein niet de beste stilist was die men zich in kan denken. Moeizame zinnen, ongelukkige literair bedoelde metaforen theoretische overwegingen die verzanden in enerzijds/anderzijds- conclusies. Te veel archaismen en neologismen (het werkwoord `bemeelijden'), te veel germanismen, te veel onuitgewerkte gedachten en invallen in te weinig zinnen. Het zou wel eens kunnen zijn dat dit euvel te wijten is aan de invloed van de Duitse academische taal, zoals Romein zelf over een niet al te leesbaar traktaat van Thorbecke schreef: `Veeleer is het echt naar Duitse trant omslachtig diepzinnig geschreven'.

Ook kan hij geleden hebben onder de schaduw van zijn leermeester Huizinga die het galmend proza ook niet schuwde, maar in ieder geval beter beheerste. Annie schreef directer, minder moeizaam.

In naoorlogse drukken is de spelling gemoderniseerd. Dat maakt het boek nog merkwaardiger zo niet onleesbaarder. Wanneer alle dubbele e's en de sch's waren blijven staan evenals de verbuigingen van lidwoorden en adjectieven, dan waren vorm en inhoud meer met elkaar in overeenstemming gebleven. Dan zou het boek als monument in tact gebleven zijn en zou men het hebben kunnen lezen met de gedachte ja, zo dacht en schreef men nu eenmaal in die tijd in bepaalde kringen. Zoals je ook wel eens een radiotoespraak van voor de oorlog hoort met plechtige dictie en al. Die moderne spelling doet daarom het boek afbreuk. Overigens was er bij het verschijnen ook al kritiek op die stijl.

De Erlaters is ouderwets om nog een derde reden. Hoe nieuw dit boek misschien in 1938 zich ook presenteerde - de originele formule Nederlandse personages gepresenteerd zonder nationalistisch te worden de wil om de geportretteerden in Europees perpectief te plaatsen de biografie als vanzelfsprekend onderdeel van marxistische geschiedschrijving, de verwachtingen van de mogelijkheden om te psychologiseren - het is toch achterhaald. Door zijn moralisme, door de vele levenswijsheden die er doorheen zijn gestrooid, door zijn quasi gepsychologiseer, dat vooral tot uiting komt bij de personen die Jan Romein als genieen bestempelt en van wie hij met graagte het tragische onderstreept, zoals van Rembrandt, Spinoza en Jan Swammerdam. De gedragenheid, de ernst die precies past bij zware woorden als `erflaters' en bij de ondertitel `Nederlandse gestalten uit zes eeuwen'.

Dat alles stamt uit een tijd waarin de geschiedschrijver de sacrale plicht leek te voelen om tijd en tijdgeest te boekstaven of liever nog in marmer te houwen. Een tijd dat boeken verschenen met monumentale titels als De pelgrimstocht der mensheid en Revolutie der eenzamen, geschreven in een plechtstatige, apodictische stijl die men nog aantreft bij predikanten en bij een enkele Huizinga-adept.

Zijn er erflaters van de Erflaters? Jan Romein schreef in 1946 zijn boek De biografie, maar veel effect had dit niet. Decennia kon men de klacht lezen dat het met de biografische traditie in Nederland droevig was gesteld. Hoe dat komt? Waarschijnlijk door het sterke accent dat op politieke en later economische geschiedschrijving heeft gelegen en omdat geen enkele universitaire docent een lichtend voorbeeld op dit gebied heeft gegeven. Dat is in het laatste decennium veranderd, niet in de laatste plaats door het voorbeeld van Neerlandici: Frederik van Eeden, Herman Gorter (een der erflaters), Herman Heijermans, Henriette Roland Holst, Wilhelmina, Colijn Dijksterhuis, Slauerhoff, Achterberg, M.C. Escher, elk jaar verschijnt er wel een schat op dit terrein. Er zijn bovendien ook wel boeken met kleine biografieen gepubliceerd, maar dat waren altijd bundels op een bepaald vakgebied en geschreven door verschillende auteurs.

In 1995 verscheen, met een verwijzing naar de ondertitel van de Erflaters, het originele boek Gestalten van de Gouden Eeuw. Het is een groepsportret waarin geen individuen, maar beroepsgroepen als erflaters worden beschreven, zoals de regent, de geleerde en de boer. Opvallend is dat die vruchtbare opleving van het biografisch genre zich beperkt tot de negentiende en twintigste eeuw. Mensenlevens van voor die tijd worden voornamelijk in bezit genomen door romancieres. Het wordt tijd voor een nieuwe reeks grondig en goed geschreven erflaters, uit misschien niet zes maar tenminste wel uit drie eeuwen.