Ik wil geen malle nostalgicus zijn; Cees Nooteboom over zijn nieuwe boek Allerzielen

Kloosters, bibliotheken en muziek van Hildegard von Bingen zijn de laatste schuilplaatsen voor wie het vluchtige heden de rug wil toekeren in Cees Nootebooms nieuwste roman `Allerzielen'.

Gesprek met de schrijver van het boek waarin het verlies van ouderwetse deugden als schroom wordt betreurd. “Tegenwoordig moet alles maar leuk en ironisch zijn. Ja, misschien is `Allerzielen' wel een heel ouderwets boek.'

“Voor spookrijder bestaat in het Spaans geen synoniem,' zegt Cees Nooteboom (1933), die in Amsterdam is om het eerste exemplaar van zijn nieuwe roman Allerzielen in ontvangst te nemen. Op weg naar het noorden op de autosnelweg in de buurt van Burgos, knalden hij en zijn vrouw bijna frontaal op een uit het duister opdoemende chauffeur. “Dan besef je dat er een heel dun vlies tussen je aan- en afwezigheid bestaat,' zegt hij hoofdschuddend. “In een seconde kun je er geweest zijn.' Dezelfde sensatie onderging hij in een vliegtuig met een kapot landingsgestel boven Los Angeles. “Er moest 140.000 liter kerosine geloosd worden. Er kwamen aan elke kant enorme fonteinen ijswit spuitsel uit het toestel tevoorschijn. Ik zat daar met bleke knokkels.'

De nabijheid van de dood, de rituelen waarmee we onze gestorvenen gedenken en het gevecht tegen de vergetelheid, vormen de belangrijkste thema's in zijn nieuwe boek Allerzielen. Gedurende tweeeneenhalf jaar krabbelde hij geduldig twee gekartonneerde cahiers vol. Liefkozend toont hij het manuscript. Ik buig me over het miniscule, regelmatige handschrift, dat oog voor detail en precisie verraadt. “Ik schrijf alles eerst met de hand', zegt hij. “Met inkt schrijven is een proces van langzaamheid, het geeft me een gevoel. Als je op een computer werkt, sluipen er snel allerlei fouten in de syntaxis en de grammatica, omdat je denkt dat je toch altijd weer kunt veranderen. Alleen mijn reisverhalen en redes typ ik rechtstreeks op de Olivetti. Het getik van die machine heeft een licht hypnotische werking op me.'

Nooteboom, wiens gedichten, reisverhalen (“In het buitenland noemen ze die essays') en romans internationale bekendheid genieten, trekt als een laattwintigste-eeuwse zigeuner over de wereld.

Hij geeft lezingen in Australie, Amerika en zijn bakermat Europa. Vier maanden per jaar resideert hij op Menorca, waar 's zomers regelmatig de stroom uitvalt. Nog een reden om geen tekstverwerker te gebruiken.

“Tot voor kort had ik daar ook geen fax en telefoon' zegt hij. “Ik ging elke zondagavond eten bij restaurant De Gouden Draak. De eigenaar was een Chinese Rotterdammer. Wie mij echt wilde bereiken kon me daar dan bellen. Helaas ging de man vorig jaar pleite. Toen heb ik maar telefoon genomen.'

Hoewel Cees Nooteboom een uitgesproken tegenstander is van het speuren naar overeenkomsten tussen de auteur en zijn personages (“Een boek is een ding op zich'), erkent hij dat zijn overpeinzingen en dagboekaantekeningen uit Berlijnse notities het ruwe materiaal vormden voor zijn nieuwe roman. Een belangrijk deel van de handeling speelt zich dan ook af in de Duitse metropool. De val van de Muur, de euforie en de collectieve kater daarna hielden hem sterk bezig. Het defaitisme en gemor van de Duitsers, die zich meer druk maakten over de hardheid van de D-Mark dan hun gemeenschappelijke culturele erfenis, stelde hij in zijn Berliner Lektion aan de kaak.

Arthur Daane, de hoofdpersoon van de roman, doolt met zijn camera in de aanslag door het schemerige Berlijn en filmt gebouwen en plekken die dreigen te verdwijnen. In hoeverre is hij het alter ego van de schrijver?

Nooteboom: “Ik vind het samenvallen van die dingen iets moeilijks. In de roman komt er iets bij. Bij Arthur gaat het om een idee in statu nascendi; hij heeft het voor zichzelf nog niet gedefinieerd. Arthur verloor zijn vrouw en kind bij een vliegtuigongeluk. Wat was hij daarvoor voor iemand? Niet alleen het idee van het verdwijnen obsedeert hem, want door zijn werk komt hij ook in aanraking met de historische niet-metafysische wereld van ellende en feiten.

Hij zoekt verzoening. Een vorm. Welk staketsel heeft de beschaving opgebouwd om net te doen alsof er niks aan de hand is?'

Hoe duister en filosofisch dat ook moge klinken, Nooteboom doelt hier op de steriele manier waarop de media ons dagelijks trakteren op lugubere berichten en feiten. “Het schijnt dus dat we met miljoenen gemist kunnen worden', zegt hij. “De soort moet overleven. 's Morgens hoor je op de BBC-radio een man met een deftig Engels accent die de meest gruwelijke dingen opdist en daarbij dus al die omgekomen mensen begraaft.'

CNN-cameraman

De held, Arthur Daane, leidt een dubbelleven. Enerzijds verhuurt hij zich als cameraman aan CNN, de NOS en andere televisiestations, anderzijds maakt hij dichterlijke films die niemand wil uitzenden. Sinds hij zijn vrouw en kind heeft verloren, probeert hij `een andere wereld' te filmen. Voeten autobanden en nevelslierten in Berlijn bijvoorbeeld. Hij bezoekt tempels en ruines. Staart naar schilderijen van Caspar David Friedrich. Filosofeert met zijn vrienden en wordt verliefd op een jonge Nederlandse historica, Elik Oranje, die tijdens haar jeugd in Spanje een zeer traumatische ervaring heeft opgedaan. Oranje schrijft een proefschrift over een middeleeuws Spaans onderwerp.

“Ik ken zulke mensen als die vrouw', zegt Nooteboom. “Ze onderzoekt uiterst minutieus een aspect van de geschiedenis. Mijn bewondering voor zulke specialisten is bijna overdreven te noemen.'

Is het geen illusie te denken dat we het verleden kunnen reconstrueren? Nooteboom: “Dat is inderdaad nog maar de vraag. Misschien is dat wel een argument tegen de historische roman. Vroeger heb ik de Griekse romans van Vestdijk verslonden.

Ik verbaasde me erover waar hij dat allemaal vandaan haalde, al die details over kleren en wapens... Ik vond dat bijna een mediamieke gave. Ook mijn bewondering voor Hella Haasse's boeken is groot. Zelf zou dat ik niet durven: fictie met echte mensen. Zo'n reconstructie is voor mij bijna een onrechtmatige daad, al was het maar omdat de gebeurtenissen zich misschien toch heel anders hebben afgespeeld. Ik zou het alleen op een hilarische manier kunnen doen.'

Grappig of hilarisch is Allerzielen bij vlagen maar soms ook filosofisch als een Duits tractaat of een didactische ideeenroman. “Vrienden die alvast de vertaling van mijn boek lazen - het verschijnt bij onze oosterburen volgend jaar - zeiden dat een Duitse auteur Allerzielen nooit had kunnen schrijven', pareert Nooteboom. “Zij vinden hun schrijvers momenteel te navelstaarderig. Omdat ik weinig fictie lees, heb ik daar geen oordeel over. Ik verdiep me meer in filosofie geschiedenis en poezie. In NRC Handelsblad werd ik ooit `een meester van de geveinsde eruditie' genoemd. Eerst was ik lichtelijk beledigd, maar daarna dacht ik: Daar gaat het juist om in de fictie: veinzen! Alleen moet je dat kunnen doseren.'

Vele pagina's in Allerzielen behelzen wijsgerige tafelgesprekken in Berlijnse eethuizen. De protagonisten verorberen stapels orgaanvlees, terwijl ze lustig filosoferen over Heidegger, Mommsen, Herder, Hegel en Nietzsche. Is dat niet een beetje te veel van het goede? Nooteboom haalt zijn schouders op en zegt: “Ik vind filosofie nu eenmaal fascinerend. Kijk, als ik 't moet uitleggen ben ik nergens, maar het sijpelt wel als water door in mijn systeem en de manier waarop ik formuleer. Hier in Nederland ken ik wel heel wat mensen van rang en stand, maar daar worden zulke onderwerpen toch liever niet aangesneden.

Ik heb het in Allerzielen zo gedaan dat het verteerbaar blijft. Je kunt uiteindelijk alleen je eigen boek schrijven. De knallen van de recensenten neem ik op de koop toe.'

De handeling in Allerzielen wordt becommentarieerd door een spreekkoor, zoals in een Griekse tragedie van Euripides.

Horen we daar de dode zielen aan gene zijde? Nooteboom zwijgt.

Dat moet de lezer maar uitmaken. Misschien representeren ze wel de stemmen in het hoofd van de schrijver.

Teutoonse ziel

De roman verraadt een fascinatie voor de duistere Teutoonse ziel. In hoeverre verschillen we eigenlijk van onze oosterburen? Nooteboom: “Die Duitse ziel is een enigma. Misschien is het wel goed dat twee volkeren met een verschillend karakter naast elkaar kunnen wonen. In het boek bestempel ik Nederland als `oppervlakkig', maar dat is een boutade. We hebben nu eenmaal geen bergen. We zijn een raar metropolitaan land. Er bestaat hier geen zwaar conservatief tegenwicht meer. Er is geen echt land meer dat tegen de uitwassen van de stad aanhangt, bij wijze van correctie. Ik vroeg ooit aan Enzensberger waarom hij ons land uit Ach Europa had weggelaten. `Veel te gecompliceerd', zei hij. Het is ook vreselijk moeilijk om ons land aan buitenlanders uit te leggen, alleen al door de taal.'

Behalve een ode aan het geheimzinnige Berlijn, waar de toekomst van Europa `gekookt wordt', is Allerzielen vooral een onderzoek naar de vraag hoe we over ons particuliere en collectieve verleden kunnen nadenken. Via kunst filosofie, geschiedschrijving en bezwerende rituelen? In het Westen, waar de religie is gemarginaliseerd, duiken tegenwoordig `nieuwe' rituelen op. Hoe staat Nooteboom daar tegenover?

“Ik wil geen malle nostalgicus zijn', zegt hij. “De ontmythologisering van de wereld gaat buitengewoon snel. Je kunt het goed vinden dat het tijdperk van de ratio is aangebroken, maar dat belet sommige mensen om daar geen weg mee te weten. Zelf geloof ik niet in nieuwe rituelen. Wat er voor de oude in de plaats is gekomen, heeft iets van fake. De toon van Nederlandse overlijdensadvertenties is schril van wanhoop. Ongelofelijk wat daar allemaal in staat. Au fond komt het erop neer dat de mensen zeggen `We begrijpen er niets van en roepen maar wat'. En dan nog achttien namen eronder en een heleboel persoonlijke dingen waarvan buitenstaanders niet kunnen aanvoelen wat ze precies betekenen.'

Kloosters, bibliotheken en abdijen, de muziek van Hildegard von Bingen en gregoriaans gezang zijn in Allerzielen de laatste schuilplaatsen voor wie het vluchtige heden de rug wil toekeren. Het verlies van ouderwetse deugden als schroom wordt in de roman betreurd. Is dat een persoonlijke zorg van Nooteboom?

“Gisteravond zag ik Kristien Hemmerechts op de televisie en ineens gebruikte zij het woord `schroom”, zegt hij. “Vanwege haar boek over haar overleden man, de dichter Herman de Coninck. Wat Renate Dorrestein aan de kaak stelde in haar opstel over het afzeiken van mensen op de televisie, het feit dat bepaalde vormen van eerbied voor mensen wegvallen... Tegenwoordig moet alles maar leuk en ironisch zijn. Ja misschien is Allerzielen wel een heel ouderwets boek. Het woord `mededogen' komt er trouwens ook in voor.'

Eigentijds zijn in elk geval de provocerende zinsnedes in de roman over de betrekkelijkheid van literaire roem. Welke auteur heeft nog de pretentie voor de eeuwigheid te schrijven? Nooteboom : “Tegenwoordig is literatuur een carriere.

We leven in een tijd dat alles krankzinnig snel en in enorme hoeveelheden wordt geproduceerd. Een hype is niet erg als het een goede roman is, maar er verschijnt zoveel tinnef. Nee, daar valt Connie Palmen zeker niet onder, ik vond De Vriendschap een mooi boek. Iemand als Slauerhoff zou nu volstrekt onmogelijk zijn. Een foto van hem op het omslag van HP/De Tijd en hij kon het verder wel schudden als scheepsarts. Kijk, ik heb geluk dat Reich-Ranicki mijn boek prachtig vond, maar voor hetzelfde geld kun je er ook naast zitten. Tja, daar zitten zoveel onrechtvaardigheden in. Het houdt een element van de loterij.'

Welk lot zal de toekomst voor hem in petto hebben? Wie leest Cees Nooteboom nog over twee-, driehonderd jaar? En wanneer verdient het oeuvre van een schrijver het predikaat `eeuwigheidswaarde'?

Nooteboom besluit met een anekdote. “Stel je voor', mijmert hij. “Vergilius wandelt in Los Angeles een grote boekhandel binnen en ziet zijn werk op de plank staan. Dat is natuurlijk maar weinigen gegeven. Dat zijn de zeldzame monumenten die het uithouden tegen alles in. Daarom mogen we niet te veel hoop koesteren. Schrijven is ten slotte uitgestelde sterfelijkheid. Misschien mag je nog wat nazinderen als je er niet meer bent.'