Ik schrijf graag over de veteranen van het leven; Gesprek met gevechtsvlieger en schrijver James Salter

Hij is aan een tweede literaire leven begonnen, de 73-jarige Amerikaanse auteur James Salter, toen hij vorig jaar herinneringen aan zijn carriere als gevechtsvlieger beschreef.

“Ik wilde geen curiositeit zijn, als een hond die kan praten', zegt Salter, die vorige week optrad op het Crossing Border Festival.

De lobby van het BelAir Hotel in Den Haag wordt bevolkt door postmoderne punks en paradijsvogels van polyforme pluimage, maar om nu te zeggen dat James Salter, 73, auteur en voormalig gevechtsvlieger, er als een vreemde eend in de bijt rondloopt... nee. Hij lijkt, strak, slank sportief gekleed, een man die zich nergens niet op zijn gemak voelt, die het gemak en de zelfverzekerdheid uitstraalt van hem voor wie de ambiance irrelevant is, niet omdat hij een kameleon is, maar juist omdat hij zichzelf is, overal.

Dat is die middag nog eens hilarisch bewezen. Toen fotograaf Freddy Rikken hem meenam naar vliegveld Valkenburg was een blik van de strenge bewaking op Salters vliegeniersbril en zijn na al die jaren nog autoriteit uitstralende militaire postuur voor hen voldoende om met de hakken te klikken en saluerend de hekken open te zwaaien. Pas toen de fotograaf zijn subject naast een oude straaljager begon te kieken rook men onraad: was dit dan toch misschien niet prins Bernhard? Het duo werd vastgezet en pas na een uur met een strenge reprimande teruggestuurd naar het Crossing Border Festival (waar ze onze prins overigens als verteller ook best eens zouden kunnen uitnodigen.)

Salter moet er na afloop smakelijk om lachen. Op de omslagfoto's van zijn boeken is hij in genadevol halfschaduw afgebeeld, maar in levenden lijve maakt hij een jongere, welhaast onwerkelijk fitte indruk.

James Salter kreeg zijn opleiding op West Point, Amerika's militaire elite-school. Hij werd luchtmacht-officier, voerde meer dan honderd gevechtsvluchten uit boven Korea en werd door de generaals beschouwd als iemand die `to the top or very near the top' zou komen. Maar Salter had andere ambities.

Hij nam, nog maar net dertig, afscheid van de luchtmacht om te gaan schrijven. De reactie van zijn collega's, met wie hij beproevingen en triomf had gedeeld, was een mengeling van onbegrip en welwillendheid.

“Die mensen zeiden tegen elkaar: heb je het gehoord, je zult het nooit geloven maar Salter schrijft tegenwoordig boeken! Hij schrijft wat? Boeken! Het was alsof ik... tuinier was geworden, zoiets. Het bleef vreemd voor ze althans voor de weinigen met wie ik sindsdien contact hield... Ach, er is niks mis met ze, alleen hun leven gaat maar tot zo ver en niet verder. Amerikanen in die contreien zijn cultureel niet zo onderlegd als Europeanen, denk ik tenminste; het zijn intelligente, agressieve mannelijke, eerbiedwaardige mensen, maar cultureel onderlegd? Ik denk van niet; en misschien is het ook wel slecht voor ze om zich met cultuur bezig te houden, en daarmee slecht voor het leger en daarmee slecht voor ons!

“Als ik zeg dat ze geen cultuur hebben zeg ik niet dat ze ongeletterd zijn: ze lezen immers Tom Clancy! En ze zijn ook niet dom... maar ach wat zit ik te praten, je weet volgens mij precies wat ik bedoel... Het leger was toen, in de VS, nog wat anders dan nu; tegenwoordig is het wat in diskrediet, vanwege Vietnam en corruptiezaken enzovoort, maar toen was het een hechte organisatie van 150.000 man, en als officier moest je twintig jaar wachten om kapitein te worden. Het was heel intiem, iedereen kende elkaar. Nee, ik werd niet genegeerd sindsdien sommigen bewonderden me zelfs vanwege die beslissing. Ik liet een gordijn vallen toen ik die beslissing nam, ik had een goede positie, ik was een career-officer, had West Point achter de rug, ik kreeg fantastische effectiveness-rapporten.

En ik stond bekend in mijn klas als degene die ronduit achter het systeem stond. Dus toen ik wegging, liet ik dat allemaal achter me. Dat was pijnlijk; ik wilde schrijver worden, maar ik had geen ervaring, geen schrijflessen gehad, helemaal niks. Ik had een agent, dat was alles. Ik voelde me naakt. Daar kwam bij dat de mensen die ik in de literaire wereld leerde kennen weer niets van mijn militaire achtergrond wisten; let wel, we hebben het over de jaren '60, dus ik voelde me daar erg gevoelig voor, mensen die zeiden: kom je van West Point, waarom ben je dan niet blijven marcheren?'

Binnenpretje

“Als mensen vroegen waar ik op school had gezeten zei ik maar: Georgetown, hetgeen waar was, maar de rest vermeldde ik maar niet omdat ik niet vantevoren het beeld van mezelf als schrijver wilde bevooroordelen. Ik wilde niet in een categorie geplaatst worden, niet als een curiositeit tentoongesteld worden, als een hond die kan praten of op zijn achterpoten kan lopen.'

James Salter publiceerde een handvol romans en een verhalenbundel, maar geen van zijn boeken tilde zijn status boven die van writer's writer uit. Onbeperkte lof voor zijn karige beeldende stijl, maar geen enkel boek sloeg echt aan bij een groter publiek. Hem restte de weg van velen bij wie de ambitie even groot was als de nooddruft: richting Hollywood, voor welks filmindustrie hij jaren werkte, opnieuw met meer inspanning dan succes. Robert Redfords Downhill Racer was het meest memorabele product van zijn inspanningen.

Maar met de publicatie, laat in 1997, van zijn `recollection' Burning the Days zijn herinneringen aan zijn carrieres als schrijver en vlieger, leek Salters schrijversloopbaan een tweede start te krijgen.

Het leidde tot heruitgaven van zijn vroegere werk in de VS en Engeland en vertalingen in Nederland. Ineens kende iedereen zijn naam. Er volgden zelfs uitnodigingen op multi-culturele festivals. Maar wie Salter blijdschap of een gevoel van rechtvaardiging over deze literaire wederopstanding hoopt te ontlokken krijgt een heel ander antwoord. Hij lacht op de manier waarop hij een binnenpretje wegdrukt.

“Dit is een zo persoonlijke vraag dat ik hem normaal gesproken zou vermijden, maar ik zal toch proberen te antwoorden. Voor ik er aan begon had ik een paar dozijn autobiografieen van Amerikanen en Europeanen gelezen, to see what was out there als het ware, om te zien hoe anderen het probleem hadden aangepakt. Dat heeft me erg geinspireerd, uiteindelijk schrijf je omdat je een lezer bent, nietwaar? Toen ik klaar was heb ik het Joe Fox, mijn redacteur, en mijn vrouw laten lezen en na hun oordeel te hebben gehoord dacht ik: this could be a pretty good book. Toen vroeg ik aan mijn uitgever: hoeveel gaan jullie er drukken? Ik dacht 15.000, door ervaring wijs geworden, en tot mijn verbazing zeiden ze, we drukken er tegen de 40.000. Uiteindelijk verkocht het rond de 30.000, maar toch is het nooit echt doorgebroken dus vanuit dat gezichtspunt ben ik een beetje teleurgesteld. Het heeft geen prijzen of nominaties gewonnen, op een paar kleintjes na. Maar de reacties van collega's en de mensen om mij heen waren goed, en ik ben zeker niet bitter.'

Uw autobiografie wordt ook daar vooral geprezen vanwege de stijl, die door de recensent van de `Times Literary Supplement' heel afgewogen wordt genoemd. Mijn indruk is bijna tegenovergesteld, er klinkt een authentieke, moeiteloze stem in door.

Ligt de waarheid in het midden?

“Waarschijnlijk... Ik maak me niet zo druk om bewoordingen, nee, maar je blijft natuurlijk altijd zoeken je weet vaak dat er een beter woord moet zijn, en daar pieker je over tot je het hebt, tot de zin beter loopt. Maar het is niet zo dat ik ga zitten met het idee: mijn stijl is mijn kracht dus daar ga ik eens optimaal gebruik van maken dit keer... Maar de Britten zijn vreemd, ik weet niet waarom, ik heb altijd problemen gehad met de Britse pers en uitgeverijen. A sport and a pastime mocht er lang niet verschijnen wegens de beschrijvingen van de anale seks tussen de mannelijke en vrouwelijke hoofdpersoon. En toen de censuur dan uiteindelijk geen bezwaar meer had bleef de pers een beetje stand-offish. Ik las een keer een stuk over erotische literatuur waarin een critica meldde groot bezwaar te hebben tegen een serie scenes in dat boek, vooral wegens de oneerlijke en onfortuinlijke manier waarop de man de vrouw behandelt, alsof het onbespreekbaar is wat ze daarin samen doen! Ik vond dat erg oneerlijk en spijtig, maar zoals ik zei, ik heb altijd moeite gehad met de Britse pers.'

U noemt `Burning the days' een `recollection' en nadrukkelijk geen memoires of autobiografie. Daar moet een reden voor zijn.

“Ja ik wilde het verhaal vertellen zoals het was, maar kunnen in- en uitzoomen naar believen. Ik wilde het vertellen als een roman en ja, dan laat je wat dingen weg, zoals - alweer - de Britse pers nadrukkelijk registreerde. Inderdaad, mijn eerste huwelijk heb ik er helemaal buitengelaten, ik had al een boek over een scheiding geschreven, Light Years, en ik verveel me erg met klagerige verhalen over mensen met huwelijksproblemen dus...

Het is ook zo oneerlijk, het is altijd het verhaal van een kant, en bovendien: ik kon het gewoon niet voor elkaar krijgen. Wat weinig mensen hebben begrepen is dat het boek eindigt in 1980.'

Terwijl Salter nieuwsgierig in mijn stapeltje documentatie neust valt zijn oog op mijn recensie van Burning the Days. Op verzoek vertaal ik de eerste alinea waarin ik vliegen en vrouwen zijn twee grote passies noem. Alweer een lach als weggedrukt binnenpretje.

“O maar ik heb nog veel meer passies hoor! De natuur bijvoorbeeld, zij het niet in de zin waarin de grote ontdekkers van de natuur houden, maar als je het hebt over de diepste genoegens van het leven, dan hoort de natuur daarbij. Maar vooral de literatuur is een passie; ik ben weliswaar niet iemand als Harold Bloom of Nabokov, wier dieet uit literatuur bestond en niets anders. Dus ik heb niet echt bezwaar tegen uw formulering, maar het is een beetje smal.'

Alweer het moment om aan te dringen; ik lees een paar citaten uit zijn boek die onmiskenbaar leiden tot de vraag of hij vrouwen superieur vindt aan mannen. Het antwoord komt zonder aarzelen.

“Ja. Een vrouw draagt een gehele beschaving met zich mee, heeft iemand eens geschreven mannen niet, en daar ben ik het mee eens; ik heb geen problemen met mijn man-zijn, maar in mijn boeken zijn de vrouwen ook sterker en doorgaans de helden van het verhaal. Anne Marie uit Spel en tijdverdrijf is natuurlijk de heldin van dat boek. Sterker is niet het juiste woord voor hun superioriteit - het is tegenwoordig in de mode om de geslachten, en mensen uberhaupt, als gelijken te beschouwen en daar zie ik helemaal niets in. Vrouwen verschillen nadrukkelijk van ons mannen - en ze moeten zich uitzonderlijk gelukkig voelen dat dat zo is.

Hun seksualiteit en sensualiteit zijn breder, zeker, wij mannen worden toch regelmatig geconfronteerd met onze beperktheid in dat opzicht.'

U schreef `I like men who have seen the best and the worst.' Maakt dat u een tegenhanger van bijvoorbeeld de dirty-realism schrijvers, die de gruwel van alledag vastleggen?

Die term `dirty' bevalt me niet, ik hou het op `grubby, soiled, lower-class'; ik bewonderde Carver enorm, maar ik zou niet over zijn mensen kunnen schrijven, laten we zeggen omdat ik niet met dat soort mensen omga. Ik schrijf graag over de veteranen van het leven ze zijn zoveel interessanter. Updikes passie over de everyman, nee die deel ik ook niet, zijn Rabbit verveelt me, hoe goed ik hem als schrijver ook vind.'

Exotisch Europa

Salter wil met enige aarzeling wel toegeven dat Europa een andere van zijn grote passies is. “Jullie hebben een verticale cultuur, een achtergrond van duizend jaar die wij in de VS niet hebben. In mijn jeugd kwam alle cultuur uit Europa, vooral Engeland en nu is dat veel minder zo; we lazen Homerus en Shakespeare en dat bepaalt je notie van de wereld en hoe die eruit moet zien. Toen ik de kans kreeg die legendarische plek te gaan zien ging ik daar niet heen met de houding: laten we eens kijken wat die arme sloebers te bieden hebben. Nee: het was vlak na de oorlog, Europa was er slecht aan toe, maar ik vond er alles dat ik verwachtte aan te treffen. En bovendien viel het samen met de tijd dat ik mezelf aan het ontdekken was, de ervaringen vielen samen in mijn beleving, dus is het misschien wel een self-fiction, maar een passie - jazeker.' Hij vertelt hoe zelfs een wandeling door een regenachtig Den Haag die ervaring alleen maar verdiept.

“Het exotische is natuurlijk altijd iets wat trekt, en om die voorspelde homogenisering van Europa maak ik me geen zorgen. Die grote watervolumes die de Europese landen zijn zullen lange tijd hun eigen temperatuur behouden, en misschien alleen aan de randen door elkaar worden beinvloed. Talen en gewoontes zijn zulke krachtige factoren, het zal heel lang duren voor de euro daar iets aan zal veranderen.'

Film was nooit een van die grote passies in zijn leven, hoe lang hij er ook voor werkte. “Hoewel, in het begin wel hoor, zowel het schrijven ervoor als de wereld eromheen. Ik wilde zelfs regisseur worden, maar toen ik het van dichtbij meemaakte dacht ik nee, ik heb andere talenten... Ik ben niet echt trots op wat ik daar heb gedaan, als ik het ben is het meer op de scripts die niet zijn verfilmd dan op die waarmee dat wel gebeurde... Maar als een ervan een grote hit was geworden en een Academy Award had gekregen zou het mij in geen enkel opzicht een ander mens hebben gemaakt. Ik bedoel: geld is de belangrijkste reden voor die bezigheid. Er zijn nog steeds schrijvers die denken dat ze iets van belang kunnen schrijven voor Hollywood. En dat is een tragisch misverstand.'

Salter vertelt over zijn vroegste fictie die nu ook gaat worden heruitgegeven, maar pas nadat hij er een paar maanden aan heeft gewerkt, `het vuil ervan heeft afgeschraapt'. “Ja natuurlijk is dat een rotklus, natuurlijk is het dood materiaal zoals die tekst voor je ligt, maar ik doe het toch, dat is het voordeel van ouder worden, je ziet al je fouten, ik zie zelfs: kijk, dat wilde ik toen beweren, waarom deed ik het dan niet. Het kost me een maand of wat en of ik gelijk heb met het te doen, ik weet het niet.'

Of er ook nieuwe fictie komt?

“Ja, onder andere een nieuwe verhalenbundel, waaruit ik er vanavond een hoop voor te lezen.'

We nemen het programma van het Crossing Border Festival door en hij geeft al snel toe geen enkele naam te kennen. “Het zijn bijna allemaal muzikanten he? Maar de man die me belde, Louis, was voorkomend toen hij me uitnodigde, dus heb ik toegestemd.'

Een paar uur later zal Salter voorlezen. Hij wordt voorafgegaan door de muziek van een piepjong rocktrio dat Club Diana heet, naar Belgie's beroemdste bordeel. Als ze klaar zijn beent de auteur strak en doelbewust op zijn tafeltje af, zet het leeslampje recht en begint te lezen, tegen een achtergrond van versterkers en andere muziekapparatuur. Hij leest het verhaal `Twenty Minutes', het onbetwiste hoogtepunt uit de bundel Dusk; er wordt wel degelijk aandachtig geluisterd, de enige dissonant is het voortdurende geluid van het kapottrappen van plastic bekertjes. Als hij klaar is met dat verhaal krijgt hij van opzij het podium een seintje. `Time?' vraagt hij zonder een spoortje teleurstelling. Dan bedankt hij sober het publiek en beent weer weg. Het nieuwe verhaal blijft onuitgesproken. Na het festival zal geen enkel dagblad melding maken van zijn optreden.