Honderd tellen glimlachen; Fotograferen duurde vroeger lang

Waarom kijken kinderen en grote mensen op heel oude foto's altijd zo serieus? Tegenwoordig is het maken van een foto in eenhonderdste seconde of minder gepiept.

Maar vroeger, zo'n honderd jaar geleden, toen de fotografie nog maar net bestond, was het een hele gebeurtenis. Het kon wel honderd of meer seconden duren. Vandaar al die strakke blikken. Wie of wat in die tijd bewoog, kwam onscherp op de foto. En honderd seconden een glimlach vasthouden, dat gaat niet. Een krulletje in je mondhoeken okee, maar al het andere wordt een malle grimas.

Toen de Amerikaanse fotograaf Gerard Meegan vorige maand in Rotterdam een groepsportret maakte, was er dan ook niemand die mocht lachen (ik ook niet). Want in zijn camera zat geen modern filmpje maar een met zilver bedekt koperen plaatje. Een daguerreotypie (spreek uit: daakerrootiepie) heet zoiets. Ze stammen oorspronkelijk uit 1839 en zijn vernoemd naar uitvinder ervan: de Franse fotograaf Louis Daguerre. Daguerreotypieen waren de eerste bruikbare `filmpjes' uit de geschiedenis.

Het maken van zo'n daguerreotypie was een heel gepruts. Het zilver moest goed gladgemaakt, gepolijst worden en daarna boven een bakje met jodiumdamp hangen om lichtgevoelig te worden. En om het beeld na de opname zichtbaar te krijgen moest je het weer boven een bak met giftig kwikdamp houden. (Daar zijn veel fotografen vroeger aan dood gegaan.)

Toen na een paar jaar dan ook allerlei andere foto-uitvindingen werden gedaan, raakte de daguerreotypie in onbruik. Wat erg jammer is, want daguerreotypieen zijn eigenlijk de mooiste foto's die er zijn. Dat komt omdat ze heel dicht bij de werkelijkheid en het licht blijven. Je kunt een daguerreotypie onder een microscoop wel 3200 keer vergroten voor je de zilverkorreltjes ziet, bij een moderne foto zie je na drie keer vergoten al korrels.

Maar als je wilt kun je nog altijd daguerreotypieen maken. Er zijn op de wereld misschien nog maar honderd fotografen die dat doen. Gerard Meegan is een van hen. Eind september was hij even in Rotterdam om op het Nationaal Fotorestauratie Atelier te kijken naar de daguerreotypien van Eduard Asser (1809-1894). Assers foto's worden daar schoongemaakt om begin volgend jaar tentoongesteld te worden in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Asser, een van de eerste fotografen in Nederland maakte veel foto's van zijn kinderen en familie. Als je naar die foto's kijkt is het net alsof je de mensen erop met een vingerknip weer tot leven kunt wekken. (Dan zouden ze vast lachen om de serieuze koppen die ze zoeven nog hadden.)

En omdat hij er toch was, wilde Meegan best eens laten zien hoe dat nu eigenlijk gaat, het maken van zo'n daguerreotypie. Gelukkig gebruikt hij geen kwik maar ontwikkelt hij zijn foto's met een rood filter onder kunstlicht - dat dat ook kan wisten die oude daguerreotypisten nog niet.

Maar jammergenoeg mislukte het portret. Zelfs na twee dagen was er niets op het zilver te zien. Toch hadden we erg stil gezeten. Ach, zei Meegan, dit zal ook Asser wel eens zijn overkomen. Gelukkig heeft hij nog een nieuwe foto gemaakt, ditmaal van het Witte Huis. Die is wel gelukt. Het huis heeft heel goed stilgezeten en niet gelachen.