Het vrome fanatisme; Jansenisme in Frankrijk

Nergens is de `natie-staat' zo welbewust vorm gegeven als in Frankrijk. Vanaf de vroege middeleeuwen hebben Franse koningen hun gezag proberen op te leggen aan hun Occitaanse en Provencaalse, Picardische en Baskische vazallen.

Tijdens de campagnes tegen katharen en protestanten was niet altijd duidelijk of de vorst op dat ogenblik de eenheid van de christelijke religie, dan wel van de domeinen in zijn vaandel voerde. Maar het resultaat op lange termijn was altijd: onderwerping aan de kroon.

In de zeventiende eeuw kwam dat `koningsspel', zoals Norbert Elias de sluipende opmars vanuit het centrum noemde, in een kritieke fase. De harde hand van Lodewijk XIV schiep orde in een rijk dat nog steeds de erfenis in zich droeg van feodale en godsdienstige strijd. Maar aldoende rakelde hij oud en nieuw ressentiment op tegen het koninklijk centralisme. De geesten van nationalisme en regionalisme, van revolutie en reactie, hebben Frankrijk de laatste driehonderd jaar in hun ban gehouden.

Twee nieuwe boeken verschaffen inzicht in de oorsprong en ontwikkeling van die tegenstrevende krachten. Het ene is een minutieus onderzoek naar de politisering van de jansenistische sekte, het andere een beschouwing over de worsteling tussen revolutionaire en reactionaire voorstellingen in Frankrijk.

In de inleiding op haar studie over de jansenisten vertelt Catherine Maire hoe in de zeventiende eeuw een streng katholiek `reveil' zich opwond over de kerkelijke boekhouding van geestelijke schulden. De critici daarvan beriepen zich op de genadeleer van Augustinus, die betwistte dat iemand zijn zieleheil met goede werken kon verdienen. Het was Gods genade die tot hemel of hel voorbestemde. Ze werden jansenisten genoemd naar de bisschop van Ieper Cornelius Jansen (1585-1638). Hij had Augustinus' uitleg van de predestinatie uit het vergeetboek gehaald waarheen de Renaissance-kerk dit grimmmige leerstuk had verbannen. De hoofse samenleving kwam nu onder vuur te liggen. Blaise Pascal (1623-1662) had bijvoorbeeld in de Lettres Provinciales (1657) de jezuietische casuistiek - de leer van de `verzachtende omstandigheden' die de vergeving van de zonde vergemakkelijkte - aangevallen. Hij was woordvoerder van het nabij Parijs gelegen klooster Port-Royal des Champs dat was uitgegroeid tot een denktank van de jansenisten.

Hun tirades tegen frivoliteiten maakten een protestantse indruk op de tijdgenoten. Maar omdat zij meer `geest' dan doctrine waren en omdat zij het priesterschap spaarden, aarzelde de katholieke kerk ze als ketters aan te merken. De monarchie vatte de kritiek daarentegen meteen op als een smet op het eigen blazoen. De kerk van Frankrijk was in hoge mate de kerk van Lodewijk XIV. Dat had de onverbiddelijke politiek van de vorst tegenover de Hugenoten al bewezen. De koning steunde het kerkgezag tegen de verwijten van laksheid door de jansenisten. De Sorbonne en de paus werden daarom gemobiliseerd om de critici het zwijgen op te leggen. Vlak voor zijn dood smaakte Lodewijk XIV de voldoening de jansenisten veroordeeld te krijgen in een pauselijke bul (1713). Port-Royal had hij drie jaar eerder al met de grond gelijk laten maken.

Ondergrondse

De dood van de Zonnekoning in 1715 gunde de jansenisten slechts een korte adempauze. In 1730 werd de pauselijke bul tot Franse staatswet. Ook onder Lodewijk XV werd de vervolging voortgezet. Een ware jansenistische ondergrondse ontstond: clandestiene drukkerijen produceerden honderden boeken en een krant die het tot 1803 uithield. Goed georganiseerde `cellen' zorgden voor de verspreiding, voor geld en vluchtwegen naar Holland. En zaakwaarnemers in het episcopaat en het parlement van Parijs bepleitten de belangen van de jansenisten.

Catherine Maire schat de kern van de beweging in de achttiende eeuw op niet meer dan tweehonderd mensen. Maar hoe klein en benard ook, haar pretenties werden steeds groter. De Gideonsbende paarde onheilstijdingen aan praktische politiek. In vlugschriften doken waarschuwingen op dat het uur naderde waarop de gelovigen zouden afvallen en de joden zich zouden bekeren.

Dat waren tekenen die Paulus in de Romeinenbrief als voorboden van Christus' wederkomst had beschouwd. Ondertussen spande een groep in het parlement van Parijs zich in om het koninkrijk te behoeden voor vreemde en corrumperende invloeden. Langs juridische weg en via politieke lobbies probeerden de jansenisten aan het hof gehoor te krijgen voor hun verlangen naar een zedelijke schoonmaak van kerk en natie. Dat de koning de hand had in de vervolgingen deerde hen niet: in hun waanbeeld was hij het slachtoffer van boze raadgevers in de eerste plaats van de doortrapte jezuieten. In die obsessie vonden ze de koning aan hun zijde. Die bezag de Societas Jesu, Spaans van oorsprong en vanuit Rome bestuurd, ook met de nodige argwaan. In 1764 bereikten de jansenisten met hun gestook dat de jezuieten uit Frankrijk werden verbannen.

Eigenlijk was met dit exorcisme de politieke rol van de jansenisten uitgespeeld. In 1789 werden andere machten vaardig over het conflict tussen koningshof en parlement. De radicalisering van het politieke proces maakte bovendien een `gezuiverd koninklijk absolutisme' verder onmogelijk. Want monarchie en religie waren precies de mikpunten van die andere radicale kritikasters, de verlichtingsfilosofen, die er met de Revolutie vandoor gingen. Nog even vestigden de jansenisten hun hoop op een religieuze republiek. Abbe Gregoire (1750-1831) priesterafgevaardigde bij de Nationale Conventie, wilde de dienaren van het geloof hun werk laten doen ten dienste van een zedelijk staatsleven als een soort ambtenaren van de ziel. Maire laat in het midden of Gregoire in de beperkte zin een jansenist was. Maar hij was wel de laatste pleitbezorger van een `volledig spirituele samenleving, die hemel en aarde omvat', het oude verlangen van het jansenisme.

De jacobijnse godloochenaars haalden die idee echter links in met hun `Tempel van de Rede'.

Fanatisme

Met de paradoxale figuur van Henri Gregoire neemt Maire afscheid van haar onderwerp en begint Pierre Birnbaum zijn beschrijving van Frankrijks gespleten persoonlijkheid. Want het vrome fanatisme van de jansenisten bevatte teveel tegenspraken om levensvatbaar te zijn: uit de droom van een `volledig spirituele samenleving' konden wel twee ideologische jassen gesneden worden: het strakke burgerpak van Robespierre en zijn jacobijnen en de zwarte soutane van de anti-republikeinse reactie. Van hieraf gaan de kerkelijke en de staatsraison hun eigen, onverzoenlijke, weg. Birnbaums verkenning van dat tweestromenland is veel simpeler dan de kronkels van religieus radicalisme waar Maire de weg door zocht. Hij kiest twee ideologische bakens in zijn geschiedschrijving van de laatste twee eeuwen: aan de linkerkant de abbes Gregoire en Sieyes (1748-1836) - het republikeinse gedachtengoed heeft veel te danken aan de radicale clerus - en aan de rechterkant de katholieke reactionnair Joseph de Maistre (1753-1821). De hele negentiende en twintigste eeuw proberen de discipelen van die woordvoerders om het hardst Frankrijk aan zich te verplichten. In die slag zijn laster en leugens nog de vriendelijkste strijdmiddelen geweest. Birnbaum voert de lezer langs bekende strijdperken en wapenfeiten uit de recente Franse geschiedenis: de anti-clericale maatregelen van de Derde Republiek, de Dreyfus-affaire, het Volksfront, Vichy de naoorlogse zuivering en Algerije.

Een tegenlicht bij deze strijd tussen `links' en `rechts' komt uit de bescheiden lantaarn van Alexis de Tocqueville (1805-1859), de schrijver-politicus die na een verblijf in de Verenigde Staten een on-Franse voorkeur voor de liberale maatschappij opvatte.

In de loop van het betoog begrijpt men dat De Tocqueville het alter-ego van Birnbaum is. Met enige verbazing verneemt de lezer in een Frans boek bewonderende woorden over Amerika, waar politieke passies door persoonlijke ambities getemperd worden en waar levensbeschouwing niet tot onophoudelijke kruistochten leidt. Birnbaum spaart de favoriete stokpaardjes van zijn progressieve en behoudende landgenoten niet.

Birnbaum komt tot de voorzichtige conclusie dat de kerk en staat op hoog niveau hun vete hebben bijgelegd. De katholieke uitvaart van de oude radicaal Mitterand zou daarvan een illustratie zijn. De republikeinen hebben hun aanmatigende aanspraken op het verstand van de natie laten varen. En de katholieke kerk die op de ziel. Het katholiek fundamentalistischge `integrisme' is niet veel meer dan een clubje dwarsliggers. De officiele kerk maakt zich sterk voor een multiculturele samenleving. Links volgt schoorvoetend. Gestaalde kaders als Regis Debray huldigen nog de onverzettelijke republikeinse deugden die bijvoorbeeld het dragen van islamitische hoofddoekjes op school uitsluiten, maar de protestant Lionel Jospin koestert sympathie voor het angelsaksisch pragmatisme, eens de boeman van zowel links als rechts.

De elites mogen de strijdbijl dan hebben begraven, het voetvolk heeft dat allerminst. Over de wapenstilstand valt de schaduw van het Front National dat geen enkele sympathie voor minderheden en andersdenkenden koestert. In zekere zin herleeft in die onverzoenlijkheid de jansenistische utopie van een `volledig spirituele samenleving'. De waarheid gebiedt te zeggen dat Abbe Gregoire nog tijdens zijn leven berouw had. Ook hem ging het rigorisme van Robespierre te ver.

Het is maar de vraag of de stokebranden van het Front National afstand zullen nemen van een terreur die hun dommekrachtjes nu al in het klein uitoefenen. De geesten die de absolutistische verbeelding van Frankrijk ooit ontketende, zijn nog lang niet terug in de fles. De tijdelijke vertedering rond het Franse voetbalteam, `black, blanc, bleux', verandert daar niets aan.