Geheimzinnigheid om te maskeren; Roman Cees Nooteboom

Stel dat de Nobelprijs voor literatuur twee weken geleden niet naar Jose Saramago was gegaan, maar naar Cees Nooteboom. Hoe zou de reactie zijn geweest?

Ongetwijfeld was er achter de dijken een gejuich opgegaan: eindelijk gerechtigheid voor de Nederlandse literatuur. Maar er zou, denk ik, ook verbazing zijn geweest en misschien zelfs enige verlegenheid. Want waarom Nooteboom? Waarom niet Claus of Mulisch en waarom - in het verleden - niet Vestdijk of Hermans? Schrijvers die toch beduidend hoger worden aangeslagen, althans in Nederland. Het buitenland, in het bijzonder Duitsland, denkt daar anders over. Mocht Nooteboom nog eens de Nobelprijs winnen, dan zal hij dat in de eerste plaats aan onze oosterburen te danken hebben.

In Nootebooms nieuwe roman Allerzielen worden de Duitsers daarvoor zo lijkt het haast, bij voorbaat bedankt. Het merendeel van het boek speelt zich af in hun nieuwe (en oude) hoofdstad Berlijn, waar de hoofdpersoon ronddwaalt tussen de schimmen van het verleden. Geen andere plek in Europa is meer `gedrenkt' in historie dan Berlijn, waar Keizerrijk, Weimartijd, Derde Rijk en DDR hun verwarrende en nog altijd zichtbare sporen hebben nagelaten.

Om de geschiedenis gaat het in deze roman, met zijn bijna 400 bladzijden de omvangrijkste die Nooteboom heeft geschreven. Geschiedenis is het - onuitgesproken - woord dat al op de eerste bladzijde blijft haken in de gedachten van Arthur Daane, een 45-jarige maker van televisiedocumentaires, die een buitenstaander in het heden is geworden sinds zijn vrouw en zoontje bij een vliegtuigongeluk om het leven zijn gekomen.

Het maakt deze Arthur tot een typische Nooteboom-held, een `reiziger zonder bagage', een eenzelvige melancholicus die overal ter wereld thuis is en eigenlijk nergens. Rondom zijn hoofdpersoon heeft Nooteboom een roman geschreven, waarin vrijwel zijn hele thematiek een plaatsje krijgt. De tijd, de vergankelijkheid de onmogelijke wens de tijd stil te zetten, het verlangen tot eenwording met de dingen, Duitsland, Spanje, Japan, reizen, mythologie, de klassieken uit de wereldliteratuur - alles is er op de een of andere manier in terug te vinden. Het is zoveel dat de roman er bijna onder bezwijkt.

Nooteboom schrijft een elegant en `poetisch' proza, zijn personages grossieren in ideeen, ideetjes en observaties, Berlijn verandert onder zijn pen in een spookachtig historisch labyrint. Maar het geheel blijft een merkwaardig samenraapsel, dat je nog het best zou kunnen typeren als een lange kronkelige meditatie over de geschiedenis, bestaande uit de mijmeringen van de hoofdpersoon en de gesprekken van zijn vrienden waarin het over Hegel gaat, over de onsterfelijkheid, het cultuurverval de ruimtevaart en wat al niet meer.

Met als weinig verrassende slotsom dat de tijd verstrijkt en het verleden wel altijd een onachterhaalbaar mysterie zal blijven. Is dat nu alles,vraag je je na afloop af.

Nee, dat is niet alles. Er is ook nog een verhaal dat zich geleidelijk uit de stroom van diepe gedachten en snedige conversaties losmaakt. Om het te vertellen heeft Nooteboom geleend bij een oudere en beroemdere collega. Zijn Arthur Daane is immers een weinig listige Odysseus, die zich een tijdlang uit zijn tent laat lokken door een moderne Sirene, aangekondigd door de vele sirenes van ambulances die door de straten van Berlijn snellen, op weg naar ongeluk of sterfgeval.

In Homerus' Odyssee betekenen de Sirenen, zoals bekend levensgevaar; om hun dodelijke gezang niet te horen laat Odysseus zich aan de mast van zijn schip vastbinden. Arthur Daane's Sirene zingt niet zij zwijgt voornamelijk, maar dat kan (zoals Nooteboom via een als motto gekozen citaat van Kafka duidelijk maakt) nog een 'afschuwelijker wapen' zijn dan gezang. Arthur mag het aan den lijve ondervinden. Tegen de waarschuwingen van zijn vrienden in, volgt hij zijn Sirene naar Madrid en pas nadat hij er bijna het leven bij in is geschoten, lukt het hem zich aan haar zwijgzame lokroep te onttrekken.

Ook die lokroep heeft iets met geschiedenis te maken. Arthurs Sirene, de historica Elik Oranje, werkt aan een dissertatie over een middeleeuwse Spaanse koningin, met wie zij zich in verregaande mate vereenzelvigt. Een vorstin tussen de vorsten. Gesuggereerd wordt dat zij door deze vrouw uit de archieven tot leven te wekken, wraak neemt voor haar eigen pijnlijke verleden, waarvan de sporen in de vorm van een litteken op haar rechter jukbeen nog altijd waarneembaar zijn.

Misschien moeten we het zo zien, dat zij voor Arthur de valkuil van de geschiedenis vertegenwoordigt - in haar fatale armen raakt hij zichzelf kwijt, de `kleine dood' lijkt in dit geval letterlijk een voorbode te zijn van het echte sterven. Niet voor niets is zij door een van zijn vrienden een `schikgodin' genoemd, een spinster van het noodlot.

Door zijn affaire met Elik verliest Arthur tijdelijk zijn eigen bestemming uit het oog, die eveneens in het verleden ligt. Net als Odysseus is hij op weg naar zijn Ithaca, het eiland waar hij de eerste vakantie met zijn overleden vrouw Roelfje heeft doorgebracht. Elik `ontvoert' hem uit de `rust van zijn lange rouw'; zij brengt hem ertoe `verraad' te plegen aan Roelfje, wier herinnering door Arthur op een vage manier wordt gekoesterd in het `eeuwige project' waarmee hij zich naast zijn professionele werkzaamheden bezighoudt.

In de hoop er nog eens een film van te maken, verzamelt hij beeldfragmenten, opnames van schemeringen, zonsopgangen, voetsporen in de sneeuw, een oude boom - anonieme en onaanzienlijke dingen die altijd over het hoofd worden gezien en die niemand zich herinnert als ze verdwijnen. Arthur wil deze beelden bewaren, bij wijze van tegenwicht tegen het geweld van de grote geschiedenis, waarmee hij voortdurend in Berlijn wordt geconfronteerd.

Tegelijkertijd symboliseert deze fragmentarische verzameling zijn eigen - aan stukken gevallen - leven dat nog alleen via de band met zijn geliefde doden iets van samenhang weet te bewaren. De doden zijn altijd `aanwezig, afwezig', meent Arthur. Wanneer hij in Madrid foto's ziet van Allerzielen, de katholieke dodenherdenking, realiseert hij zich dan ook dat dit woord eigenlijk meer met `levenden' dan met `doden' te maken heeft.

Van Nooteboom krijgt hij gelijk, want bij herhaling wordt het verhaal onderbroken door de stemmen van de gestorven zielen, die - als het koor in een tragedie - alles gadeslaan en becommentarieren en zo, naar eigen zeggen, tevens mogelijk maken.

Ook daaraan zou je een symbolische betekenis kunnen toekennen: het verleden waakt over het heden, dat door datzelfde verleden is voortgebracht, en daarom zouden we het niet mogen vergeten. In het rijk van de verbeelding kan tenslotte alles. Maar de verbeelding stelt ook haar eigen eisen. Je moet er als lezer, althans voor de duur van het verhaal in kunnen geloven. Dat nu is in Allerzielen helaas minder eenvoudig. De gestorven zielen, de mythologische dimensie, het oude drama van de - in dit geval onmogelijke - thuisvaart, de gesuggereerde symboliek: het lijkt er allemaal met de haren bijgesleept te zijn om deze meditatie over de geschiedenis de noodzakelijke diepgang en geheimzinnigheid te geven. En zodra die gedachte eenmaal heeft postgevat, is de betovering verbroken.

Misschien ligt hier wel het belangrijkste verschil met die andere potentiele Nobelprijswinnaar, aan wiens werk deze roman zo vaak doet denken. Mulisch' romans zijn, met al hun fantastische tournures, werkelijk geheimzinnig; Nooteboom doet alleen maar geheimzinnig, ten einde een in wezen triviale waarheid te versieren en te maskeren.