`Er is geen greintje gekte in mij'; Acteur Henk van Ulsen speelt na jaren weer Gogols `Dagboek van een Gek'

Henk van Ulsen en `Dagboek van een gek' horen bij elkaar zoals kinderen bij het badwater. Nog steeds is Van Ulsen opgetogen over zijn solo. Of speelt hij zijn opgetogenheid slechts?

Wat echt en niet echt is aan Henk van Ulsen laat zich moeilijk duiden. In dat opzicht lijkt de acteur op de gek: `Er is enorm veel kracht voor nodig om in bizarre fantasieen te geloven.'

Vijf vingers houdt hij boven zijn hoofd: vijf vingers die een voor een naar boven wijzen. Zo kroont Propritsjin zichzelf tot koning. Zo zegt hij vaarwel tegen zijn armetierig bestaan. Dat hij ooit een onbeduidend ambtenaartje was moet hij zich hebben ingebeeld: in werkelijkheid is hij Ferdinand de Achtste van Spanje! Alleen weten de mensen dat nog niet.

Krankzinnigen hebben zo hun eigen logica en Henk van Ulsen geeft die logica vorm in een solovoorstelling waarmee hij in Nederland beroemd werd. Dagboek van een gek, naar de novelle van Nikolaj Gogol, ging 33 jaar geleden in premiere onder regie van Kees van Iersel. Reprises volgden in 1973 en in 1981 en nu speelt Van Ulsen, geregisseerd door Jan Ritsema de Sint-Petersburgse gek opnieuw. En het mooiste moment is nu dat kinderlijk-koninklijke gebaar van die zich spreidende hand op dat hoofd. Van dichtbij zijn Henk van Ulsens handen groot als kolenschoppen en ze zitten vast aan een klein en schrielig lijf. Daaromheen niet het benauwde decor dat Propritsjins huurkamertje voor moet stellen maar de forse living van een geslaagd acteur. In plaats van sleetse Russische regenmantels hangen in Henk van Ulsens Amsterdamse appartement schilderijen. Wel twintig, en allemaal half-abstract.

Henk van Ulsen is met de makers bevriend. “Ik ga veel om met beeldend kunstenaars en zit graag in hun ateliers. Misschien omdat de eenzaamheid van schilders overeenkomt met mijn neiging om solistisch te werken. Daar is een speciale, heel eigen kracht voor nodig. Net als een schilder moet ik elk beeld waarmaken dat mij voor ogen staat. En ik moet dat iedere avond opnieuw. Dat kan ik niet op basis van pure routine. Plastiek vind ik belangrijk, het werken met handen en voeten.' Hij kijkt naar de kunst om zich heen: “Een voorstelling is goed wanneer hij even meerduidig is als zo'n schilderij.

Hoe verschillender het publiek erover denkt, des te beter.'

Dat men inderdaad verschillend denkt over de nieuwste versie van Dagboek van een gek bleek uit de persreacties. Jubelrecensies hier, vernietigende kritieken daar en niets ertussenin. “Er zijn', zegt Henk van Ulsen, “zo flagrant tegengestelde dingen over het Dagboek beweerd dat ik er m'n schouders over ophaal. Ook over mijn zogenaamd overdadige manier van acteren, mijn ouderwetsheid. Ikzelf zou die stijl eerder tijdloos willen noemen. Het ontheatrale spel dat nu zo in is wijst vaak op onvermogen. Op een gebrek aan fantasie en levendigheid. Ik kan toch moeilijk alleen maar om modern te lijken vijftig jaar toneel- en levenservaring gaan verloochenen! Maar vastgeroest ben ik niet. Ik leer dicht bij mezelf te blijven en niets te forceren. En ik merk dat ik met minder toe kan dan vroeger. Versoberen, dat lukt pas wanneer je weet wat je weglaat. Dat is dus werk voor ver gevorderden.'

In 1965, vindt hij, speelde hij meer op het sentiment van de toeschouwers. “Ik wilde medelijden wekken, ik legde de nadruk op de eenzaamheid van Gogols gek op zijn zieligheid. Nu op zijn heldendom. Want er is enorm veel kracht voor nodig om in zulke bizarre fantasieen te geloven. Kijk, de eerste de beste idioot die je op straat tegenkomt kan beweren dat hij Napoleon is en kan toch stomvervelend zijn. Zo iemand is in zijn waan blijven hangen zijn gekte is een constante geworden. Interessant is wat daaraan voorafging. De geleidelijke verstandsverduistering, het sluipende proces.'

Een boeiend personage ondergaat zijn noodlot niet zomaar: “Hij moet een besef hebben van waar hij mee bezig is. Zodat je in de zaal de spanning voelt tussen vrijheid en onvrijheid, gezondheid en ziekte, waan en werkelijkheid.'

Niet dat Van Ulsen, 71, ooit persoonlijk heeft ondervonden hoe het is om je verstand te verliezen. “Er is geen greintje gekte in mij,' zegt hij resoluut, en hij ontkent het gerucht dat hij in de jaren zestig, op het toppunt van zijn roem, de gewoonte had om na een optreden in willekeurige huizen in te sluipen. “Een mooie fantasie is dat: Henk van Ulsen die in het holst van de nacht op de bank van wildvreemden ligt en rondsnuffelt in andermans koelkast! Een mooie fantasie die niks met de werkelijkheid te maken heeft!' Hij grijpt met beide handen naar zijn hoofd, kijkt verbaasd en peinst: “Het is waar dat sommige mensen mijn eigenzinnigheid een beetje onbehaaglijk vinden. Ik straal niet altijd knusheid uit en heb weleens vervelende conflicten gehad op mijn werk. De moeilijkste periode was rond m'n veertigste. Die ambitie die doordouwersmentaliteit. Veel willen doen, alles goed willen doen, wat niet altijd gelijk op ging. Ik zat enorm achter mezelf aan, toen. Op zoek naar.... ja naar wat?'

In elk geval niet naar een vaste plek in een toneelgezelschap. “Die verplichte familiariteit: ik heb het daar moeilijk mee. De veiligheid van een gezelschap: daar krijg ik het Spaans benauwd van. Een beschaafde lach opwekken, wat vroeger bij gezelschappen het hoogste streven was, is niet mijn pakkie-an. Ik speel graag in vrije producties met diepgang maar zonder pretenties. Ik speel graag mannen die iets angstaanjagends hebben maar ook iets vertrouwds. Mannen met een grimmige vriendelijkheid of precies andersom.'