EP is zijn tijd soms ver vooruit

Het Europees Parlement is erg goed in luchtfietsen, als we het negatief formuleren. Positief geformuleerd: het is zijn tijd soms vooruit. Zo ver misschien dat het wat los komt te staan van het hier en nu.

Althans, het EP komt bij wijlen tot exercities die weinig steun in de politieke werkelijkheid genieten. Dat is enerzijds wel een veilig soort vorm van visionaire politiek, anderzijds een experiment dat de gedachtenvorming kan stimuleren.

Jurjen Pen en Dirk van der Landen (NRC Handelsblad, 19 oktober) beschouwen het vooral als het laatste. Zij zien wel wat in een Europees Wetboek van Strafvordering, dat de opsporing, vervolging en berechting van Europese delicten regelt, en een Europees Wetboek van Strafrecht waarin op Europees niveau feiten strafbaar worden gesteld - een exercitie waarmee het Europees Parlement zich volgens schrijvers kennelijk bezighoudt.

Helaas wordt in hun bijdrage aan de discussie rond de wenselijkheid van een en ander een aantal fouten gemaakt die de door hen gewenste discussie op een verkeerd uitgangspunt stelt. Het Europarlementaire luchtfietsen dreigt op die manier tot indianenverhalen te leiden. Zo denken Pen en Van der Landen kennelijk dat een Europees Wetboek van Strafrecht dat op artikel 209A van het EG-verdrag wordt gebaseerd, elk denkbaar delict kan scheppen dat valt `binnen de sfeer van Europese belangen'.

Zij denken waarachtig dat `alle delicten met een grensoverschrijdend karakter' raken aan die belangen en daarom in zo'n Wetboek kunnen worden geregeld. Zij noemen als voorbeelden grensoverschrijdende criminaliteit, abortus en euthanasie (`delicten met een sterk levensbeschouwelijk karakter' noemen zij die!).

Het nationale strafrecht kan zich in hun visie `alleen nog maar bezig houden met geweldsdelicten, verkeersdelicten en dergelijke'. Dit is echter onzinnig. Artikel 209A van het EG-verdrag beperkt zich uitsluitend tot `fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiele belangen van de Gemeenschap worden geschaad', zoals het Verdrag van Amsterdam preciseert. Dat alleen maar bepaalde vormen van internationale criminaliteit daardoor wordt gedekt is duidelijk.

Abortus en euthanasie zijn met geen mogelijkheid daaronder te brengen. Dat er met Europese wetboeken `een einde komt aan de immer moeizame interstatelijke rechtshulp' is daarom (gelukkig) onjuist.

Met betrekking tot opsporing en vervolging van fraude ten koste van het EG-budget zijn al verscheidene maatregelen getroffen. Zo laat de Eurocontroleverordening uit 1996, die het de Commissie mogelijk maakt controles en verificaties ter plaatse te verrichten, al niet heel veel over van de autonomie van lidstaten. Dat er in elke lidstaat twee strafrechtsystemen zouden komen te ontstaan door invoering van de wetboeken beschouwen Pen en Van der Landen een evident nadeel, dat echter naar hun inzicht naar Amerikaans voorbeeld kan worden omzeild. Hierover moet echter worden geconstateerd dat er al Europese anti-frauderegelingen bestaan die punitieve sancties opleggen voor bepaalde feiten die moeten worden opgelegd volgens bepaalde in die regelingen neergelegde procedures. Deze bestaan naast de nationale strafrechtelijke sancties en procedures.

Los van de vraag welke problemen dit schept en of dit nu zo'n groot nadeel is, moet worden geconstateerd dat hier toevallig de werkelijkheid vooruitloopt op de discussie die inderdaad nog op bredere schaal gevoerd zou moeten worden. Aan de nationale parlementen lijkt dit al voorbij te zijn gegaan.