Een tweede Margaret Mead; Herinnering aan M.Vasalis

Nee, over haar literaire werk wilde Vasalis niet geinterviewd worden. Dat gegeven keert steeds weer terug in de necrologieen die deze week aan haar gewijd werden.

Het enige vraaggesprek met haar dat ooit gepubliceerd is werd haar ontfutseld door de eens vermaarde radioboekbespreker P.H.Ritter jr., die zich als patient bij haar praktijk meldde. `Er was iets vederlichts in deze vrouw', schreef de indringer, `wier heldere intelligente ogen alles wat buiten die ogen leefde in de kamer die wij betraden tot iets bijkomstigs maakte.' De dokter vertelde hem dat het heel verkeerd was om een onderscheid te maken tussen een kunstenaar en een gewoon mens: `De gewone mensen leven het leven met dezelfde gevoelens als de kunstenaar. Het enige verschil is, dat de kunstenaar die gevoelens weet duidelijk te maken.'

Maar wat zij wel leuk vond was om herinneringen op te halen aan de tijd toen zij in Leiden colleges volkenkunde volgde. Zij kende Jan van Baal, de latere gouverneur van Nederlands-Nieuw Guinea en de schrijver H.J.Friedericy. Over de vorstendommen op Zuid-Celebes, waar Friedericy jarenlang als bestuursambtenaar gestationeerd was, schreef hij een proefschrift en een prachtige roman (Bontorio). Toen diens Verzameld Werk in 1984 verscheen, leek het mij een aardig idee om een radioprogramma te maken met mensen die hem hadden gekend. Ik bezocht Van Baal in Doorn A.Alberts in Blaricum, Rob Nieuwenhuys in Amsterdam en tenslotte Vasalis in Roden. “Doe mijn groeten aan Kiki', zei Van Baal. “Ze kent mij nog wel.'

Ik schreef een briefje aan de dichteres van de vele onvergetelijke regels, en daarna belde ze me op om een afspraak te maken. Het onderwerp sprak haar aan. Ja, Van Baal herinnerde zij zich maar al te goed. Die geneerde zich niet om in de Leidse tram met luide stem over peniskokers en koppensnellers te praten!

Op een kille dag in december toog ik vanuit het Groningse Zuidhorn naar het Drentse Roden naar haar ooit landelijke woning met koetshuis en paardenstallen, waar de nieuwbouwwijk de oprijlaan al naderde. Ze had inderdaad heldere ogen die vanuit een gezicht vol barsten en kraaienpootjes scherp en oplettend de wereld in keken. Ze draaide voortdurend shagjes en had een mooie schorre stem, heel geschikt voor radio. Omdat zij destijds aan een loopbaan in de tropen dacht, volgde zij ook colleges in de volkenkunde. Vooral de culturele verschillen tussen mannen en vrouwen intrigeerden haar. Ziekte verhinderde ten slotte dat zij als arts naar Afrika vertrok.

“Misschien is er een tweede Margaret Mead in u verloren gegaan', merkte ik op.

Daar moest ze geweldig om lachen.

Op haast achteloze wijze vertelde ze het ene aardige verhaal na het andere, met veel gevoel voor humor en aandacht voor het detail. Terwijl ik naar haar verstandige woorden luisterde, besefte ik hoe jammer het was dat haar meningen over, ja, over van alles eigenlijk - het leven, het verleden andere schrijvers - niet vaker waren geboekstaafd. Zo hoorde ik dat ze altijd een groot bewonderaar van Slauerhoff was geweest. Ze had hem zelfs een keer in levenden lijve ontmoet. En hem gezegd hoezeer ze zijn gedichten waardeerde. Slauerhoff ontdooide daardoor nauwelijks. “Welk gedicht dan?', vroeg hij nors. In haar verwarring antwoordde ze: “Dat gedicht met die regel `ik heb vandaag geen zin in de omhelzing van mijn negerin'.

Dat antwoord moet hem toch hebben aangesproken.

Later stuurde ik haar het programma toe waaraan ze een bijdrage had geleverd. Ze vond het allemaal heel mooi; alleen haar eigen stem - `net een schorre kraai' - had haar onprettig in de oren geklonken. Tot haar spijt kon ze niet ingaan op mijn verzoek om nog eens verder over Slauerhoff te praten. Ze zou het werk moeten herlezen en daar gunde ze zich geen tijd voor.

“Ik heb zelf twee dingen die ik af wil schrijven en waarin ik voortdurend gestoord word', liet zij mij weten. Geregeld trof zij manuscripten van verzenbundels in haar brievenbus aan die om een reactie vroegen. “Dat is erg tijdrovend, vooral omdat de meeste niet goed zijn in poetische zin, maar bijna altijd echt gemeend en gevoeld, zodat je in je antwoord wel heel behoedzaam te werk moet gaan.'