Een soort dierentuin; Grunberg rond de wereld

MANHATTAN. Er zaten andere sloten op de deur.

Iemand had tijdens mijn afwezigheid de sloten van mijn appartement veranderd. Even had ik nog gedacht dat het aan mij lag, dat ik met verkeerde sleutels mijn eigen woning probeerde binnen te dringen. Of dat ik per ongeluk op de verkeerde verdieping stond, dat was me al een keer eerder overkomen, middenin de nacht. Maar na een minuut of vijf was het duidelijk dat er van een vergissing geen sprake kon zijn.

Er zat niet anders op dan aan te bellen.

Ik liet mijn koffers voor de deur staan en ging naar beneden. Een fractie van een seconde vroeg ik me af of ik misschien een verkeerd gebouw was binnengewandeld, maar zo gek was ik gelukkig nog niet.

“Ik ben het', riep ik door de intercom, “er zitten andere sloten op de deur. Ik kan er niet in.'

Een overbodige toevoeging, maar wat zeg je in dit soort gevallen?

Ik ging weer naar boven. De deur stond al open.

“Daar ben ik weer', zei ik.

“Dag', zei ze.

Mijn boeken waren netjes in dozen gepakt. En op de schoorsteenmantel ontbraken enkele van de snuisterijen die ik in de loop der jaren had verzameld. Een buisje met goudvissenvoer, een schoen, een ingelijst koekje.

“Heb je een goede reis gehad?', vroeg ze.

Ze leunde tegen het aanrecht en speelde met een zakje thee. Mijn computer de printer en de fax stonden er nog wel, en ook de papieren op mijn bureau leken onaangeroerd.

Bovenop de stapel onbeantwoorde correspondentie lag een brief van de daklozenkrant. Ze wilden een bijdrage.

“Gaat wel', zei ik, “veel turbulentie.'

Ook een rolletje plakband had ze alvast in een doos gepakt.

“De sloten zijn veranderd', zei ik en schonk wat mineraalwater in.

Ik wist dat ik een keer zou terugkomen van een van mijn reizen en dat de sloten op mijn deur veranderd zouden zijn. Misschien had ik er wel onbewust op aangestuurd, maar met het onbewuste wilde ik me op dat moment liever niet bezighouden.

“Ja', zei ze, “ik heb de sloten laten veranderen.'

Ze speelde nog altijd met dat theezakje.

Ik liep naar het raam. De gordijnen waren gewassen. Alles was zo fris en schoon.

Op tafel stond mijn schaakspel. Daarnaast lag een stapel post. De reclamefolders waren er al tussenuit gehaald. Aan alles was gedacht.

“Zo', zei ik en ging zitten.

Ik merkte dat ook nog wat foto's waren verdwenen en kranten en tijdschriften die ik nog had willen lezen waren in tassen gepakt.

“Je bent niet verbaasd', zei ze. “Dit is toch wat je wilde?'

Verbaasd. Was ik verbaasd? Ik wist het niet. Ik was eigenlijk niets.

“Nee', zei ik, “echt verbaasd ben ik niet, hoewel ik gewend ben dat dreigementen dreigementen blijven.'

“Hou op', zei ze, “hou op met dat superieure gedoe. Haal dat ironische glimlachje van je gezicht. Ik kan het niet meer zien.'

Ik liep naar de badkamer om te kijken of er een ironisch glimlachje op mijn gezicht zat. Ik kon geen ironisch glimlachje ontdekken. Er zat wel een glimlachje, maar dat was meer een treurig, lichtelijk vermoeid glimlachje. Misschien een heel klein beetje superieur, maar niet ironisch.

Ik ging weer de kamer in en bladerde door faxen die tijdens mijn afwezigheid waren binnengekomen.

“Waarom ben je niet bij de poedel gebleven, wat doe je hier nog?'

“Nou', zei ik, “ik woon hier toch.' En tilde de stapel binnengekomen faxen even omhoog, alsof dat het ultieme bewijs was dat ik hier woonde.

Toen herinnerde ik me dat ik zelf ooit poedel was genoemd, in de tweede klas van de middelbare school. Poedel was een merkwaardige naam voor een mens, ook voor een hond eigenlijk.

“Ik moet toch werken', zei ik. “Ik moet toch geld verdienen.'

“Hou op met dat werken en haal dat ironische glimlachje van je gezicht.'

Voor de tweede keer liep ik naar de spiegel, maar ook nu kon ik geen ironisch glimlachje op mijn gezicht ontwaren.

“Er zit geen ironisch glimlachje op mijn gezicht, je vergist je.'

Boeken vlogen door de kamer. Een verhalenbundel van De Maupassant en vier of vijf presentexemplaren van Het veertiende kippetje. Ik vind het niet erg als boeken verfomfaaid zijn, zolang ze maar leesbaar blijven.

“Hou op met die minachting, hou op alles en iedereen te minachten, hou op jezelf te minachten en haal dat ironische glimlachje van je gezicht. Je bent walgelijk.'

Ik bukte me, want er vloog nu iets zwaarders door de lucht. Een kleine sierlijke vaas, overblijfsel van een reis naar Portugal. De vaas viel stuk in de badkamer.

De zin: `de schaamstreek is een stofnest, daarom kom ik er nog maar zo weinig', schoot door me heen. Ik maakte een notitie, vroeger deed ik dat nooit, maar je weet niet wanneer de vergeetachtigheid zijn intrede doet.

“Stel je niet aan', zei ik.

Een boek werd doormidden gescheurd en vervolgens in tientallen kleine snippers gescheurd. Gelukkig was het niet een boek van mij. Het was een boek over prozac. Ik lees geen boeken over prozac.

“En wat is die poedel voor iemand? Ook weer zo'n destructief schepsel, die verzamel je toch bij voorkeur. Hoe gekker hoe beter. Het is een soort dierentuin die je hebt en dan kan jij mooi voor oppasser spelen.'

Ik opende de koelkast, maar aangezien dat een doelloze handeling was, deed ik hem meteen daarna weer dicht.

“Zeg iets' schreeuwde ze, “hou ermee op mensen het gevoel te geven dat ze sloom dom, waardeloos en oninteressant zijn. Hou op met die kilte. Hou ermee op mensen kapot te maken.'

Mijn schaakspel vloog door de lucht. Ik begon me thuis te voelen.

Mijn vader had me vroeger wel eens met de Gestapo vergeleken, dus eigenlijk lag het in de lijn der verwachtingen dat ik mensen kapot zou gaan maken.

“Hoeveel mensen heb ik dan kapotgemaakt?' informeerde ik, want dat soort dingen interesseren me. “Kun je me naam en adres geven van de mensen die ik kapot heb gemaakt.'

De telefoon ging.

Tegen mijn gewoonte in nam ik op. Ik wist wie het was. Ze wilde weten of ik goed was aangekomen.

“Goed', zei ik, “heel goed.'

“Is dat je poedel', werd geschreeuwd, “zeg haar maar dat ze je moet komen ophalen.'

“Ik bel je later terug', zei ik, “ik moet hier even een aantal dingen regelen, het is altijd zo'n chaos als je terugkomt van een lange reis. Weet je wel?'

Ik hing op.

“Lafaard', zei ze.

Een kapotte gloeilamp viel aan diggelen net naast de open haard.

De werkster had weer veel te doen. Fijn voor de werkster.

“Ik kan niet tegen je op, je bent te sterk voor mij', zei ze.

Toen begon ze haar gezicht open te krabben. Tientallen druppeltjes bloed verschenen op haar wangen, alsof er allemaal kleine pukkeltjes waren opengekrabd.

Ik pakte haar handen.

“Niet openkrabben', smeekte ik.

“Ik draai door', zei ze.

“Niet doordraaien', smeekte ik. “Het is allemaal spel. Het sop is de kool niet waard.

We spelen alleen maar, geloof me, we spelen alleen maar. We oefenen alleen voor mijn nieuwe boek. We oefenen alleen maar voor mijn nieuwe boek.'

Die laatste zin herhaalde ik zolang tot ik hem zelf begon te geloven.

Daarna veegde ik in de badkamer het bloed van mijn handen. En van haar wangen.