Een sitcom Buñuel

Worden jullie het nooit beu om grappig te zijn? vraagt Kris Hoflack aan Kamagurka. Neen, antwoordt Kamagurka, ik heb het, door jarenlang mijn zin te doen, zover geschopt dat iedereen me vraagt vooral mijn zin te doen (Humo, 19 oktober 1998.)

Bob en George. Aflevering 1 van een zesdelige serie. Belg.2, 22.30-22.55u. En vanaf donderdag 29 oktober op Ned.3.

Het interessantste gesprek had ik met een columnist van het tijdschrift Sapio, genaamd Yoshitaka Inomata; dat kwam eigenlijk het meest in de buurt van gewoon een gedachtenwisseling met een verstandig mens, zonder dat gevoel van vervreemding dat anders wel eens op de loer lag - een gevoel, als ik het juist analyseer, of je ieder ogenblik kan stuiten op een muur van naïveteit.

Dat is een zeldzaam voorbeeld van survival of the fittest, alleen weggelegd voor uitzonderlijk talent. Kamagurka is iemand die bij sommige mensen grote woede opwekt. Het karakteristieke bezwaar is dat hij `te ver' gaat, maar dat is nu juist de essentie ervan; daar waar de mensen roepen: nee hou nou op, nu is het niet leuk meer, daar begint het pas. Kamagurka is een soort Buñuel voor huiselijk gebruik. Zelf behoor ik tot zijn onvoorwaardelijke bewonderaars, maar daarbij denk ik in de eerste plaats aan zijn tekeningen; ik kijk niet veel televisie en ken zijn optreden op dat medium alleen maar sporadisch.

Nu heb ik zojuist twee filmpjes gezien van een nieuwe serie van Kamagurka en Herr Seele, getiteld Bob en George, omschreven als een `surrealistische sitcom'; een sitcom-Buñuel dus eigenlijk. De bedoeling, zegt Kamagurka in Humo, is dat een inwoner van Mars die hier over vijftig jaar landt, het een doodgewoon tv-programma vindt.

Of dat gelukt is weet ik niet: ik was hier en daar wel hulpeloos van het lachen, maar meer bij de tweede aflevering (`Naar Vaticaanstad') dan bij de eerste (`Mist'). Als die stijgende lijn zich over alle zes afleveringen voortzet ben ik wel nieuwsgierig naar de laatste.

De reden van mijn reticensies bij `Mist' is vermoedelijk mijn sentimentaliteit jegens dieren. In die eerste aflevering wordt een hond — tijdig vervangen door een exemplaar van peluche — op ondraaglijke wijze als boksbal gebruikt en ik zit daar dan voortdurend over in, zoals ik dat ook heb bij het zien van Westerns: cowboys en Indianen mogen elkaar mishandelen zoveel ze willen, maar bij het zien van struikelende en vallende paarden sta ik doodsangsten uit. Zo ook hier, wat moeten honden daar nu van denken, denk ik dan, of een kind. Ik bestudeer het gezicht van degene die het doet: voelt hij dan geen medelijden? dat zijn de opwellingen die mij dan in hun macht hebben.

Maar bij de tweede aflevering was er niets dat mijn geluk verstoorde. De tot hogere kunst verheven meligheid, het uitmelken van zelfmoordthema's, de dialoog met de buurman/postbode, het laten zegenen van een condoom door de Paus, dat is allemaal good clean fun, net als de scène met het brein van Herr Seele in een bocaal en zijn reacties wanneer bijvoorbeeld de zone van Broca gestimuleerd wordt, om van andere zones maar te zwijgen.

Een voorbeeld van een schitterende zin die mij is bijgebleven: `Weet je nog die keer dat je door je bed zakte 's nachts? Wel, dat bed: dat was ik, opgevuld met stro en schapewol!' Zo is er veel meer, meer dan ik kan onthouden zonder het op te schrijven, of niet citeerbaar want niet verbaal.

Iets dat ook bijzonder aan mij besteed is is dat er geen canned laughter aan te pas komt. Bijna alle humoristische tv-programma's worden voor mij bedorven door dat stupide surrogaatgelach dat van geluidsopnames komt en niets met het beeld te maken heeft; bij Mr Bean bijvoorbeeld, maar ook John Cleese gebruikt het. ,,Ik heb lang een lachband geëist', zegt Kamagurka in Humo, ,,omdat je daarmee honderdduizend kijkers meer trekt en trouwe fans toch niet afhaken, maar nu ben ik blij dat we dat niet hebben gedaan.'

Bob en George — het roept bij mij plezierige associaties op met Gilbert en George, maar dat zal wel toeval zijn.