De triomf van de anti-modernisten; De postmoderne architectuur verovert Nederland

Van het centrum van Groningen tot Den Bosch, overal in Nederland verrijzen gebouwen die er anders uitzien dan de kale witte dozen die de moderne architectuurtraditie voorschrijft.

Voorlopig hoogtepunt is het gebouwencomplex De Resident in Den Haag ontworpen door Sjoerd Soeters en `Disney-architect' Michael Graves. “En dat is zeker niet het einde van deze postmoderne bouwgolf.'

Het postmodernisme is dood, leve het supermodernisme! Dit is de strekking van Supermodernisme, het onlangs verschenen boek van de architectuurhistoricus Hans Ibelings. `Na het postmodernisme en de deconstructivistische uitloper daarvan, lijkt nu een architectuur in opkomst waarvoor postmoderne noties als plaats, context en identiteit hun betekenis grotendeels hebben verloren', schrijft hij in het voorwoord van Supermodernisme, dat als ondertitel `Architectuur in het tijdperk van globalisering' kreeg. In deze tijd van flitskapitaal, Internet en toenemende mobiliteit wordt de architectuur steeds minder plaatsgebonden. Het modernisme, dat niet toevallig al snel na zijn ontstaan in de jaren twintig tot International Style werd gedoopt, is nu in verhevigde mate teruggekeerd en wordt daarom door Ibelings supermodernisme genoemd. Over de hele wereld bouwen architecten als Rem Koolhaas, Herzog en de Meuron, Dominique Perrault en Toyo Ito hun dozen die van buiten nog neutraler ogen dan de witte gebouwen van beton, staal en glas van vroege modernisten als Walter Gropius en Mies van der Rohe. Ze hebben niets met hun omgeving te maken, zijn niet aan plaats en tijd gebonden en corresponderen zo wonderwel met de digitaliserende wereld waarin het besef van tijd en plaats steeds meer wegvalt.

Ook in Nederland is het supermodernisme aangeslagen. Rem Koolhaas, Wiel Arets en MVRDV zijn slechts de bekendste supermodernistische architecten, die van Nederland een land maken waar buitenlandse critici met bewondering naar kijken. Dat juist in Nederland het supermodernisme zo succesrijk is is niet vreemd: in Nederland is het modernisme altijd overheersend gebleven in de architectuur. Terwijl in Europa en in Amerika in de jaren tachtig en negentig opnieuw overal gebouwen verrezen met classicistische en traditionalistische elementen, bleven Nederlandse architecten voor hun ontwerpen vooral putten uit het oeuvre van pioniers van het modernisme als Le Corbusier, Aalto en Oud.

Zo werd Nederland het Cuba van de architectuur, een land waar postmodernisme misschien geen straf opleverde maar wel een heel vies woord was.

Nu is postmodernisme goed beschouwd ook een beetje een vies woord. Het is een vaag begrip, dat altijd weer leidt tot spraakverwarring. Deconstructivistische architecten bijvoorbeeld wensen onder geen beding door het leven te gaan als `postmodernisten', hoewel ze ter rechtvaardiging van hun dronkemansbouwkunst uitdrukkelijk een beroep doen op het werk van postmodernistische filosofen als Derrida en Deleuze. En de Nederlandse neomodernisten die de vormen van hun voorgangers steeds weer recyclen doen eigenlijk niets anders dan hun buitenlandse postmodernistische collega's. Alleen citeren de Nederlanders slechts uit een beperkt deel van de twintigste-eeuwse architectuurgeschiedenis, terwijl postmodernisten de hele geschiedenis van de bouwkunst tot hun beschikking hebben.

Ornamenten

Maar hoe vaag de grenzen van het postmodernisme ook zijn toch is het een bruikbaar begrip in de architectuur. Over de kern van het postmodernisme bestaat geen misverstand: het is een bouwkunst die brak met de kille, technocratische architectuur en stedenbouw waarin het modernisme in de jaren vijftig en zestig was ontaard. Anders dan modernisten zien postmodernisten ornamenten niet langer als een misdaad en streven ze naar een bouwkunst die aansluit op de omgeving of de traditie en zo niet alleen geliefd kan worden bij een elite van critici en fijnproevers, maar ook bij het grote publiek.

Postmodernisme is het volkomen tegendeel van supermodernisme. Daarom is het des te opmerkelijker dat juist nu het tijdperk van het supermodernisme wordt aangekondigd, Nederland wordt overspoeld door een golf van postmodernisme.

Zo kreeg Groningen twee jaar geleden een heel nieuw stadscentrum dat was ontworpen door Adolfo Natalini, een Italiaanse architect die in de jaren tachtig van zijn rationalistische geloof afviel. Hij gaf de nieuwe winkels, kantoren en woningen rondom het Groningse stadhuis een plechtig aanzien, dat wordt bepaald door een classicisme zoals de geschiedenis nooit heeft gekend. Voor tegenstanders was dit aanleiding om tijdens het publieke debat over het nieuwe stadshart Natalini's ontwerp te diskwalificeren als `Anton-Pieck-architectuur'. Maar de Groningse bevolking, die in een referendum mocht kiezen uit een aantal ontwerpen voor het centrum, koos in grote meerderheid voor dat van Natalini.

Een nog recenter voorbeeld van een groot postmodernistisch bouwwerk is de kolossale rechtbank in Den Bosch, ontworpen door Charles Vandenhove, de Belgische neoclassicist die eerder in de jaren negentig al omvangrijke woningbouwcomplexen in Amsterdam, Maastricht en vooral Den Haag realiseerde. Vandenhove maakte van de Bossche rechtbank, zoals het hoort volgens de leer van het classicisme, een sober en spaarzaam geornamenteerd gebouw. In deze bakstenen burcht, met een eindeloos lijkende repetitie van traditionele ramen, doen ongetwijfeld strenge rechters hun werk. Ook de omgeving van de rechtbank vertoont steeds meer postmodernistische trekken: enkele forse woongebouwen met duidelijk classicistische invloeden staan er al of zullen er, getuige borden binnenkort verrijzen.

Zelfs Rotterdam, de hoofdstad van het modernisme in Nederland, kreeg vorig jaar vlakbij de beroemde Lijnbaan een postmodernistisch winkelcentrum in de vorm van een verzonken Italiaans stadje. De naam van de ontwerper van deze `koopgoot' is Jon Jerde, een Amerikaanse architect die bekend werd door onder meer verschillende uitbundige thema-casino's in Las Vegas.

Oorspronkelijk was het postmodernisme in Nederland een importproduct, maar inmiddels is het iets geworden dat ook heel goed kan worden vervaardigd door oer-Nederlandse architecten. Zo werd in het Brabantse Helmond eind vorig jaar naar een ontwerp van Bokhoven en partners `Kasteel Noord' opgeleverd, een complex van 149 woningen in de vorm van grote monumentale blokken met zwaar klassieke trekken. Dezelfde stad kent inmiddels ook Dierdonk, een typisch postmodernistische wijk van 1.700 huizen naar een ontwerp van Maarten Ouwens. Dierdonk staat vol bakstenen huizen met brede dakoverstekken en horizontaal gelede ramen die afkomstig lijken uit de jaren dertig en zo voldoen aan een verlangen naar voorbije tijden.

Stalins metro

Voorlopig hoogtepunt in de postmodernistische golf over Nederland is de Resident, een bouwproject met de omvang van een buurt in het centrum van Den Haag. Niet ver van het Binnenhof, het hart van de Nederlandse staat verrijzen hier halverwege het Centraal Station grote gebouwen die tezamen het volkomen tegendeel van een modernistische stad vormen. Geen losstaande gebouwen in de open ruimte wilde de van oorsprong Luxemburgse architect Rob Krier in het haveloze gebied rondom een anoniem modernistisch kantoorgebouw dat de naam Transitorium droeg. De antimodernist Krier ontwierp een traditionele stadswijk, met gesloten gevelwanden langs smalle autovrije straten en pleintjes. Ook bepaalde hij dat stedelijke functies als wonen, werken en vermaak niet van elkaar werden gescheiden, zoals modernisten altijd wilden, maar juist vermengd. Kantoren situeerde hij in drie torens vlak bij het grote ministerie van VROM van Jan Hoogstad woningen, winkels en horeca-ruimten in de lagere delen langs de pleinen en straatjes.

Kriers stedenbouwkundig ontwerp wordt ingevuld door gebouwen van Nederlandse en buitenlandse architecten. Hiervan zijn nu twee grote kantoorgebouwen klaar: `Helicon' van Nederlands enige overtuigde postmodernist Sjoerd Soeters en `Castalia' van de Amerikaanse architect Michael Graves. Toen Graves in 1994 de opdracht kreeg om het Transitorium van nieuwe gevels en binnenruimten te voorzien, was dit goed voor een rel. Onder aanvoering van voorzitter Carel Weeber maakte de Bond van Nederlandse Architecten bezwaar tegen de aanstelling van Graves als architect van de toekomstige behuizing van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Officieel vond de bond slechts dat een Nederlander zo'n eervolle opdracht moest krijgen, maar vermoedelijk speelde ook de aard van Graves' werk een rol bij de beroering. Graves was zijn loopbaan in de jaren zestig begonnen als lid van de New York Five, een Amerikaans gezelschap neomodernisten. Wat voor soort gebouwen hij toen maakte, is vlak bij de Resident te zien in het kolossale hagelwitte en supergladde Haagse stadhuis van Richard Meier een ander vroeger lid van The New York Five. Maar terwijl Meier trouw bleef aan het neomodernisme, raakte Graves zijn geloof kwijt. Hij werd een extreme postmodernist, die er niet voor terugschrok om de zeven dwergen uit het sprookje van Sneeuwwitje te gebruiken als kariatiden in het hoofdkwartier van het Disney-bedrijf in Burbank, Californie. Dat juist zo'n Disney-architect als Graves de behuizing mocht ontwerpen van het cultuurministerie van Nederland, het laatste land waar het modernisme heerste, was inderdaad van een superieure ironie.

Toch is Graves' Castalia geen Disney-gebouw geworden.

Zoals het een goede postmodernist betaamt, heeft hij zijn ontwerp aangepast aan de Nederlandse omgeving. Probleem is alleen dat dit moeilijk te zien is. Zo valt het niet mee om zonder uitleg van de architect in de twee kolossale puntdaken die Graves boven op het Transitorium heeft gezet, een ode aan de oude Nederlandse grachtenhuizen te zien. Er zijn tenslotte weinig of geen Nederlandse grachtenpanden met zulke extreme puntdaken. Hetzelfde geldt voor de ramen van Castalia. Volgens Graves gaat het hier om een verwijzing naar de vaak buitengewoon grote ramen van oude Nederlandse huizen, maar doordat ze allemaal dezelfde maat hebben, brengen ze die juist niet in herinnering. Kenmerkend voor de oude Nederlands huizen langs de grachten is immers dat de onderste ramen het grootst zijn en naar boven toe steeds kleiner worden. Castalia is daarom eerder een eerbetoon aan het archetypische huis zoals kleine kinderen tekenen dan aan het Nederlandse woonhuis.

Spaanplaat

Het interieur van Castalia lijdt onder eenzelfde grofheid. Wie via de on-Nederlands nauwe, door hoge gebouwen omsloten binnenplaats het kantoor van VWS binnengaat, denkt even dat hij een Moskous metrostation betreedt. Maar even verder, bij het bereiken van de grote hal met roltrappen, volgt de teleurstelling. De mozaieken beelden en schilderingen die van Stalins ondergrondse een hoogtepunt in de architectuurgeschiedenis hebben gemaakt, blijken te ontbreken. Graves' classicisme is op het saaie af droog en sober en bovendien, anders dan de Moskouse metro, van bordkarton. Zo lijken de muren opgebouwd uit zware stenen, maar geklop leert dat ze van spaanplaat of een vergelijkbaar materiaal zijn.

Veel beter gelukt is Helicon van Sjoerd Soeters het enige grote gebouw in Nederland waar een tram dwars doorheen rijdt.

Net als bij Graves is het door Krier voorgeschreven rode baksteen het belangrijkste materiaal van dit kantoor, maar terwijl Graves' bakstenen volkomen glad gemetseld zijn, kennen de gevels van Soeters' gebouwen kleine verspringingen die het oog behagen.

Ook Soeters is niet wars van verwijzingen. Heeft de Amerikaan Graves een Nederlands gebouw in Den Haag willen maken, de Nederlander Soeters heeft juist een Amerikaans gebouw ontworpen. De hoofdvorm van het gebouw - drie blokken met tussenruimten - gaat terug op een veelgebruikt type groot kantoorgebouw in het Amerika van begin deze eeuw. De aluminium geveldelen die de tramgang markeren en uiteindelijk uitmonden in kolossale `kaasprikkers', schijnen een eerbetoon te zijn aan de spits van het met metaal bedekte Chrysler Building in New York. Ook binnen toont Soeters zich superieur aan Graves. Doen de ruimtes van Graves' kantoor steeds onmiddellijk denken aan iets bekends - de Moskouse metro! een gang in een Amerikaans hotel! -, de vergaderzalen en het restaurent op de vierde verdieping van het Helicon zijn met hun gekromde wanden en plafonds schitterende ruimtes die niet naar iets anders verwijzen.

Tuinstad

Als de Resident in het begin van het volgende millennium zal zijn voltooid, betekent dit zeker niet het einde van de postmodernistische golf over Nederland. Zo begint de Helmondse pseudo-jaren-dertig-tuinstad Dierdonk navolging te krijgen in steden als Almere, Amersfoort, Den Bosch en Eindhoven. In Helmond zelf zal van Adolfo Natalini een bestuurscentrum een bioscoop en 175 woningen worden gebouwd. Vlak buiten Helmond verrijst binnenkort Brandevoort, een compleet dorp van 6.000 woningen naar een ontwerp van alweer Rob Krier.

Traditionele Brabantse architectuur is het uitgangspunt voor Brandevoort, dat net als de Resident zal worden ingevuld door andere, veelal locale architecten.

Ook Amsterdam zal in het begin van de volgende eeuw twee grote woningcomplexen van Krier hebben. Las-Vegas-architect Jerde werkt nu aan een ontwerp voor een groot winkelcentrum in Utrecht, en Sjoerd Soeters heeft zoveel opdrachten in heel Nederland dat hij zijn bureau naast hemzelf van een tweede directeur heeft moeten voorzien.

De opkomst van het postmodernisme in Nederland is niet alleen te danken aan het cliche dat in Nederland nu eenmaal alles later gebeurt. Belangrijker is het verschijnsel dat ook het succes van het supermodernisme verklaart: de globalisering. In de architectuur doet de globalisering zich voor als een januskop met het supermodernisme en het postmodernisme als gezichten.

Supermodernistische architecten buigen voor de Zeitgeist. Ze gaan zonder voorbehoud mee met de stroom van digitalisering, mobiliteit, etc. en antwoorden met `fuck-the-context'-gebouwen die niet zijn gebonden aan plaats en tijd. Maar met even veel recht kan men `fuck the Zeitgeist' zeggen en overwegen dat wie met de tijdgeest trouwt snel weduwe zal zijn. Juist in deze tijd van globalisering wordt de behoefte aan een eigen herkenbare plek groter: wie al een groot deel van zijn leven doorbrengt achter overal eendere computers en op inwisselbare snelwegen, wil zijn vrije tijd niet ook nog eens besteden in een volkomen neutrale omgeving. Juist de digitale en hypermobiele mens verlangt naar gebouwen die reageren op de `context', een eigen `plaats' bieden en zo een onverwisselbare `identiteit' creeren. Postmodernisten ontwerpen die.