De piano als mini-orkest

Han Reiziger, muziekmedewerker bij de VPRO, wil op zijn sterfbed het liefst Mozarts Pianoconcert in A KV 488 uitgevoerd hebben, met daaruit het adagio als een oneindig tedere omhelzing.

Hij zou dan ook het middendeel van het nieuwe Pianoconcert van Klaas de Vries kunnen overwegen, waar De Vries zich liet inspireren voor eenzelfde soort van droefgeestige melancholie. Gisteravond werd het concert met veel succes in premiere gebracht in het Utrechtse Vredenburg, vanavond wordt het in Amsterdam herhaald en is het live te horen op de radio, ook weer met Ellen Corver en het Concertgebouworkest, de opdrachtgevers en ook bijkans ideale pleitbezorgers.

Het genre pianoconcert lijkt bij Nederlandse componisten in opmars. Peter Schat en Theo Loevendie schreven uitgesproken romantische concerten Jan van Vlijmen en Willem Jeths componeerden ze meer vanuit een avantgarde perspectief en De Vries neemt daarbij, net als Peter van Onna, een middenpositie in. De Vries streefde in eerste instantie naar een eendelig doorgecomponeerd stuk zoals de beide pianoconcerten van Liszt. Uiteindelijk kwam hij toch met een in keurig driedelig maatpak gestoken concert: het eerste deel in de hoofdvorm met sterke contrasten tussen scherp staccatoschittering en impressionistische introvertie, het tweede deel een mijmering en het derde deel Lisztiaans flonkerend, het meest opwindend.

Minder gebruikelijk is hoe de piano zich soms gedraagt als een mini-orkest en het orkest zich gedraagt als een percussieve piano. Nog ongebruikelijker is de digitale piano in het orkest die de impressionistische intimiteiten met kwarttooneffecten verbijzondert.

Aanvankelijk wilde De Vries een strakke Stravinskyaanse blazersbezetting maar het middendeel voor hoofdzakelijk strijkers is zoals gezegd bijzonder mild uitgevallen, curieus zijn dan weer de trombone-interjecties die Bachs koraalvoorspel BWV 721 citeren, het cement overigens voor alle drie de delen. Mozart zou de trombone hebben afgekeurd, KV 488 berust op het fluweel van de klarinetten, maar Liszt gaf het instrument wel degelijk een hoofdrol in zijn Totentanz voor piano en orkest, een van de meest demonisch onstuimige concerten uit de gehele romantiek.

Naar het meest romantische-20ste eeuwse soloconcert solliciteert Wolfgang Rihms Gesungene Zeit, Zweite Musik fur Violine und Orchester (1991/92).

De eerste keer dat Jaap van Zweden en het Concertgebouworkest er zich over ontfermden was het niveau reeds hoog, nu was er niets te wensen over. Gaat De Vries in zijn sprankelend muzikale concert uit van contrasten, Rihm houdt het op een sidderende extase, op een zowel tedere als gaandeweg steeds meer knellende omarming - als van een Indiase godheid met vele ledematen. Naar aanleiding van het wordingsproces van een vroeger pianoconcert noteerde Rihm, dat hij niet had willen uitgaan van een schijnobjectief Kling-Klung-Klang, noch van een voorzichtig dum-dum-dum-dum, plong-flupp, maar had gestreefd naar een poetisch `Vorbeben' und `Nachzittern', en het is zeker ook van toepassing voor het vioolconcert. Een romantischer streven valt nauwelijks te bedenken.