De kleren van volk en vorstin; Van confectie tothaute couture

Oudere vrouwen in traditionele klederdracht zien er een stuk zelfverzekerder, mooier en vrouwelijker uit dan menig leeftijdsgenote met blauw permanentje, beige regenjas en bloemetjesjurk: het viel onlangs weer op in het Nederlands Openluchtmuseum, waar enkele bezoeksters van de tentoonstelling `Kijk op Dracht', zelf in Spakenburgse dracht gekleed waren.

Zij waren de kleurige vlinders tussen de slobberige, meest stemmig getinte, en fantasieloze casual wear van de massa. Dit is geen pleidooi voor terug naar de klederdracht, maar deze eigenzinnige Spakenburgse vrouwen lieten en passant wel duidelijk zien dat er in de eeuw van de confectie-industrie veel verloren is gegaan: gevoel voor verhouding en kleur, oog voor kwaliteit, plezier in opsmuk en persoonlijke variaties.

Ook in Paleis het Loo in Apeldoorn, waar op zaterdag drommen mensen zich vergapen aan de jurken van Wilhelmina, is het niets dan brave ingetogenheid. Alle kleren van de bezoekers lijken op elkaar, zijn bijna geslachtsloos, en varieren in `kleur' van grijs via beige, naar donkerblauw, zwart en wat jagersgroen. Op een mevrouw in een lange zwierige felpaarse mantel na. Dan de fleurige sitsen jurken, de rokken met ontelbare kleine plooitjes aangerimpeld, de nauwsluitende jakken, de kunstig gevouwen en kraakwitte mutsjes en kappen, de rijkelijk versierde kraplappen, de dikke bloedkoralen (desnoods van glaskralen) halssieraden die in dezelfde stad te zien zijn op de expositie `Een volk presenteert zich 1898-1998 - streekdrachten uit de collectie van Koningin Wilhelmina' in het Historisch Museum (t/m 29 november).

De drie genoemde exposities zijn georganiseerd ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina. Bij de exposities verschenen twee boeken: het ene, Koninklijk Gekleed 1880-1962 is de goed gedocumenteerde en rijk geillustreerde catalogus behorend bij de gelijknamige expositie in het Loo (t/m 3 januari). Het boek Klederdracht en Kleedgedrag. Het kostuum Harer Majesteits Onderdanen 1898-1998, van uitgeverij Sun, hoort bij de exposities `Kijk op Dracht' in Arnhem (t/m 1 november), en de genoemde expositie in het Historisch Museum in Apeldoorn. Het is tevens het Jaarboek Kostuum 1998, van de Nederlandse Kostuumvereniging.

Rock op klompen

Klederdracht en Kleedgedrag bevat ruim 20 losstaande artikelen, over uiteenlopende onderwerpen als `variaties in dracht' - die veel meer dan algemeen wordt aangenomen, onderhevig was aan vernieuwing, mode dus - en de invloed van streekdracht op de mode in de jaren '70 en '80 van deze eeuw: een fris stuk van Sytske Wille-Engelsma, die laat zien hoe zelfmaakmode-bladen als Knip en Ariadne, couturier Frank Govers, en kledingmerk Oilily zich met uiteenlopend resultaat lieten inspireren door Nederlandse klederdracht.

Er zijn artikelen over dracht als nationaal symbool en dracht in de reclame (Frau Antje, Zeeuwsch meisje), over punk- en hippiekleding, over `Rock op klompen'. Wat de hoofdstukken verbindt is de vraag hoe kleding en klederdracht werden en worden gebruikt om identiteit uit te drukken, zowel individueel als collectief.

Dit boek legt dus, net als de exposities, de nadruk op kleding als taal, als communicatiemiddel. Dat maakt het toegankelijk en boeiend. De aandacht voor Marokkaanse kledinggebruiken in Nederland (djellaba's en/of hoofddoeken), voor de hippie's met hun veelal zelfgemaakte kleding, en voor hedendaagse jongeren die zich profileren als refo's, alto's, punkers of gabbers, maken in een oogopslag duidelijk dat een mens, zodra hij iets aantrekt, toont bij welke groep hij hoort of wilt horen, of waartegen hij zich wil afzetten.

Zo bieden de stukken een schat aan informatie over de telltales van vroeger. Of een man bijvoorbeeld katholiek of protestant was, kon alleen al blijken uit de rand van een hoed die al dan niet omgeklapt was. Dat hoeven we nu blijkbaar niet meer in een oogopslag te zien, en evenmin willen we meteen geboortestreek, huwelijkse staat of recentelijk verlies van een dierbare (laten) weten. Maar de codes van vandaag zijn net zo veelzeggend, en daarvoor is een opvallend kledingstatement geen vereiste.

In het hoofdstuk `Opkomen, blinken en verzinken', gaat Wielent Harms in op het hoe en waarom van het verdwijnen van streekdracht. Dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Waarom bijvoorbeeld bestaat in Zuid-Duitsland nog altijd een levendige Trachtencultuur en zijn het hier alleen enkelingen die met een hoop kunst en vliegwerk hun dracht in stand houden? Modernisering, het uiteenvallen van gesloten leefgemeenschappen, het verdwijnen van ambachtelijke kennis zijn maar gedeeltelijke verklaringen.

Een antwoord is ook te vinden in het artikel `Dracht en Eendracht. De politieke dimensie van klederdrachten, 1850-1920' van Ad de Jong. Juist de populariteit van klederdrachten aan het eind van de vorige eeuw, en het feit dat de overheid met allerlei manifestaties (wereldtentoonstellingen, optochten) klederdrachten nadrukkelijk gebruikte om gevoelens van nationaliteit en eenheid te stimuleren, droeg juist bij tot het verdwijnen ervan, aldus De Jong: `De potpourri-achtige wijze waarop omgegaan werd met de klederdracht bij nationale manifestaties (...) leidde tot een banale maskeradevertooning, die tenslotte ook de nog levende gewestelijke dracht tot iets belachelijks zou maken'.

Een mooi tegenwicht voor deze collectieve benadering van kleedgedrag geeft Pauline Broekema. `Ook al was ik in burger, ik droomde van mezelf in dracht',zegt een Spakenburgse tegen Broekema, in het artikel `In burger voel ik me zo leeg'. Broekema interviewde vrouwen die in hun leven voor de keuze hebben gestaan tussen in dracht blijven of in burger gaan. Voor sommigen was het een opluchting om de bewerkelijke dracht af te kunnen leggen, anderen hielden het uit overtuiging en vrije wil bij het oude. Dat ze daarbij meestal tot een bezienswaardigheid werden is voor hen - in tegenstelling tot de leden van klederdrachtverenigingen die zich voor speciale gelegenheden verkleden in traditioneel kostuum - een ongewenst maar onvermijdelijk bijverschijnsel. Aan de dracht ontlenen deze vrouwen hun identiteit, en bovendien hebben ze er plezier van. `Jullie met je burgerkleren, jullie hebben maar zo weinig. Ik denk dat ik 150 kraplappen heb', zegt er een. En een ander: `In klederdracht heb je ontzettend veel kleren.

Ik kan eindeloos met al die onderdelen combineren.Toen ik in burger was ging dat heel anders. Ik had een jas voor de zondag. Vreselijk. Elke zondag datzelfde ding aan'.

Klederdracht en Kleedgedrag wordt afgesloten met een stuk van Gerard Rooijakkers, die virtuoos de lijnen van de voorgaande stukken samenbindt, en ondertussen ook nog even het begrip `klederdracht als culturele constructie', van zijn vele connotaties en associaties - archaisch, provinciaals, achterlijk folkloristisch, authentiek - ontdoet. Het kostuum Harer Majesteits onderdanen kent vele gedaanten, constateert hij. Zo was het 100 jaar geleden, en zo is het nog.

Ook de kleding van Hare Majesteit zelf in dit geval Wilhelmina, biedt verrassende perspectieven. De tentoonstelling `Koninklijk Gekleed' is met recht een biografie in jurken te noemen. Zoals die chronologisch staan opgesteld in twee grote vitrines waar de bezoekers in een rondgang langs lopen, komen begin en eind van Wilhelmina's leven aanschouwelijk samen: de snoezige kanten en broderie kinderjurkjes van het kleine prinsesje steken nog zo onschuldig af tegen de waardige, zeer ruimvallende oude damesjurken erachter. Langs de vitrines lopend, ontvouwt zich het leven van een vrouw die was voorbestemd vorstin te worden: de roomkleurige satijnen inhuldigingsjurk, geborduurd met goud, zilver en parels, de zilverlame bruidsjapon met reliefborduursel in zilverdraad, waarin Wilhelmina, klein van stuk, nog een rank meisjesfiguur heeft, elegante dinerjaponnen, een enkele vermaakt tot positiejapon, toen Wilhelmina in verwachting was van Juliana.

Tricot

Wat beter blijkt uit het boek dan uit de expositie - vooral omdat er voornamelijk kleding voor officiele gelegenheden is bewaard - is dat Wilhelmina een zeer persoonlijke smaak, een goed ontwikkeld gevoel voor kleur, en belangstelling voor mode had.

Uit het hoofdstuk `Kledingleveranties voor een vorstelijke garderobe' blijkt hoe ze kleding betrok uit vele gerenommeerde modehuizen uit binnen en buitenland, stof en modellen op zicht liet komen, aanwijzingen gaf voor kleuren en combinaties.

Het imago van die kleine, ronde, onverzettelijke vrouw maakt plaats voor een mens van vlees en bloed. Wilhelmina, op zoveel foto's te zien in praktische, robuuste mantelpakken en zwaarloden capes hield als jonge vrouw van soepele en doorschijnende stoffen: tule en mousseline waaronder borduursels schemerden bij het bewegen. `Frappant genoeg getuigde de kleding voor reizen en werkbezoeken sindsdien (na de Eerste Wereldoorlog) van veel meer gevoel voor eigentijdse modeontwikkelingen dan die welke op staatsieportretten werden gedragen' schrijft Ietse Meij. `Zo deed de koningin van harte mee aan de decoratieve modes van de jaren twintig die werden bepaald door vlakversiering in gestileerde of abstracte motieven'. Ze droeg tricot ensembles (de invloed van Chanel) en combineerde folkloristische elementen, compleet met omslagdoeken (onderdeel van de art deco-modes) in haar garderobe in de jaren twintig. Enkele jaren later (1931), als de rokken weer langer worden, vertoont ze zich bij een bezoek aan Parijs weer in een modieus zwierig voetlang `complet' van effen en bedrukte stof. Een heel verschil met haar kleindochter, Beatrix, die al vanaf 1965 haar garderobe door een couturiere, Theresia Vreugdenhil, laat maken, en duidelijk opteert voor een constante stijl. Wilhelmina confronteerde haar leveranciers `met zulke specifieke eisen (...), dat er bijna kan worden gesproken van haar eigen ontwerpen', aldus Meij. Hare Majesteit kortom, had veel plezier in haar garderobe.

Het is dan ook ook zo levendig voorstelbaar hoe deze vrouw, in haar verantwoordelijke functie, behoefte had aan vrouwelijke stoffen, zachte of intense, maar nooit schreeuwerige kleuren, aan bloemen en rijk borduurwerk; aan dat beetje frivoliteit dat haar status toeliet.