De ironie van het leven in de goelag

`De geschiedenis zit vol met mensen die gewoon pech hadden', zegt de verteller in Martin Booths The Industry Of Souls. In de Sovjet-Unie voor de val van het communisme, hadden mensen bijvoorbeeld pech als ze als winkelier, per ongeluk te weinig wisselgeld teruggaven.

Als ze werden opgepakt wegens kapitalistische neigingen, wegens kritiek op de Staat, wegens een poging het land uit te gaan, of omdat ze de pech hadden dat een jaloerse collega ze aangaf. Wie de schijn tegen zich had, kon worden opgepakt en naar een werkkamp gestuurd. Wie geluk had kreeg tien jaar, wie pech had twintig jaar of meer. De meesten hadden pech.

The Industry Of Souls gaat over de Engelsman Alexander Bayliss, die begin jaren vijftig wegens vermeende spionage wordt opgepakt en tot 25 jaar in de goelag wordt veroordeeld. De Britse regering, die hiervan niet op de hoogte wordt gebracht, gaat er vanuit dat Bayliss vermist is vermoedelijk dood.

De roman begint op de dag van Bayliss' tachtigste verjaardag, twintig jaar nadat hij vrijkwam uit het kamp. Omdat hij weinig meer in zijn geboorteland te zoeken had, bleef hij in Rusland: hij ging naar Myshkino, het dorp van een van zijn vrienden in de goelag, die het niet overleefde. Hij werd binnengehaald door diens dochter en haar echtgenoot, en werd leraar. In Myshkino wint hij het respect en de liefde van de inwoners van het dorp.

Op zijn verjaardag maakt Alexander of Shurik zoals zijn Russische bijnaam luidt, zijn dagelijkse wandelronde. Later op de dag verwacht hij bezoek uit Engeland, dat hem zal dwingen een keus te maken tussen blijven in Myshkino of teruggaan naar zijn eigen land. Het boek gaat heen en weer tussen deze wandeling, die herinneringen en overpeinzingen oproept, en episodes uit zijn gevangenschap.

De beschrijving van de gebeurtenissen in de kolenmijn waar Bayliss werkt legt niet de nadruk op de harde behandeling door de bewakers en de spartaanse leefomstandigheden, maar vooral op de vriendschap die ontstaat onder de arbeiders van Arbeidseenheid Acht in Sosnogorsklag 32. Het is een groep mannen die als gelijken samenwerken, voor het arbeidstempo de zwakste in acht nemend. Shurik vindt het de ultieme ironie: terwijl boven de grond het communisme faalt, zijn zij een goed gestructureerd team waarvan elk lid zijn steentje bijdraagt, intussen solidair met zijn mede-arbeiders - `Als er ooit een voorbeeld was van socialisme dat echt werkte was het ons zevenen.'

Het boek is niet het verhaal van een held, of van een spannende ontsnapping uit het kamp, en evenmin het relaas van een verontwaardigde Brit die vecht voor zijn vrijheid. De realiteit van de goelag was nu eenmaal dat de gevangenen geen andere keus hadden dan hun lot te aanvaarden en te proberen het zo goed mogelijk te overleven: door zich gedeisd te houden, door een eigen fantasiewereld te creeren waar de autoriteiten geen vat op konden krijgen en door bij de dag te leven, niet kijkend naar de toekomst. `Ik heb geleerd', zegt Shurik, `mij te verzoenen met het onvermijdelijke.'

Martin Booth (54) is een van de twee relatief onbekende namen op de Booker Prize-shortlist. Toch is dit al zijn twaalfde roman en heeft hij daarnaast kinderboeken, poezie, nonfictie - over opium en over Arthur Conan Doyle - en filmscripts geschreven. Zijn oorlogsroman Hiroshima Joe (1985) was in Engeland een bestseller, maar in literaire kringen viel hij tot nu toe niet erg op.

Ook dit boek werd vrijwel genegeerd door de Britse literaire kritiek. `Het was moeilijk recensies te krijgen', zei de uitgever Dewi Lewis in de Engelse krant The Guardian. `We stuurden het tot twee keer toe tevergeefs naar recensenten en nu vragen ze ons allemaal om een exemplaar.'

Dat is niet alleen te wijten aan luiheid van die recensenten: zeker de eerste helft van de roman is tamelijk onopmerkelijk. Booth heeft een kalme verteltrant, een niet erg in het oog springende, nuchtere stijl. Bayliss wordt gaandeweg interessanter door de overpeinzingen over zijn leven, maar echt leven ging hij voor mij niet, misschien ook omdat zijn leven voor het kamp, waar hij op zijn 35ste belandt, onbesproken blijft. Ook wordt niet echt duidelijk waarom hij in het dorp Myshkino zo geliefd is, waarom hij sowieso zo soepel in het Russische gezelschap wordt opgenomen.

The Industry Of Souls laat daardoor een onbevredigd gevoel achter: het gegeven had een aangrijpend, ontroerend boek kunnen opleveren - maar dat is het niet.