De geur van het Oosten

Kruidnagel, peper, nootmuskaat en foelie, ze geuren naar het paradijs. Hemelse specerijen. Uit de keuken en van de tafel zijn ze niet weg te denken.

Beschouwen wij kruiden nu als vanzelfsprekend, ooit, in het begin van de zestiende eeuw, werd er hevig om gevochten. Wereldmachten als Portugal, Spanje, Nederland en Engeland bestreden elkaar op leven en dood in de oceaan die om nietige eilanden spoelde als Banda en Ambon. Daarboven liggen de eilanden Ternate, Halmahera en Tidore. Dit zijn de eilanden, ingeklemd tussen Borneo en Nieuw-Guinea, waardoor de Amerikaanse schrijver en journalist Charles Corn geboeid raakte.

Op de zeekaarten zijn deze koraaleilanden niet meer dan kleine bosrijke stippen, overheerst door een vulkaan, omringd door een kristalheldere zee met koraaltuinen onder de zeespiegel. De muskaat- en kruidnagelbomen konden daar eeuwenlang in een idyllische omgeving groeien. Ze werden geoogst en op kleine schaal verhandeld door de inheemse bevolking. Dit duurde tot het expansieve West-Europa rond 1500 begon te vermoeden welke schatkamer die eilandengroep voor hen verborgen hield. Peper en fijne specerijen werden geliefd, niet alleen ter kruiding van spijzen maar ook als conserveringsmiddel.

De geruchten over de rijkdom van de eilanden bereikten West-Europa al in de vroege Middeleeuwen. In de zestiende eeuw lagen de specerijen-eilanden nog buiten elke kaart, zodat de schepen bijna op de tast hun zeemijlen in oostelijke richting aflegden. Corn beschrijft die fascinerende, over talloze documenten verspreide geschiedenis van de handel op de specerijeilanden. Op zich is dat niet nieuw. In Nederland zijn talloze boeken over dit onderwerp verschenen, onlangs nog van Wim Wennekes en Roelof van Gelder. Toch baseert Corn zich op vooral Engelse teksten; Nederlandse bronnen gebruikt hij ternauwernood. Hij haalt slechts twee Nederlandstalige auteurs uit de late zeventiende eeuwers aan: de botanicus Rumphius die jaren op Ambon werkte en Francois Valentijn, de eerste historicus van de Nederlands Oost-Indie die een jaar doorbracht op Banda.

Corn plaatst in elk hoofdstuk een figuur op de voorgrond zodat de lezer tot ooggetuige wordt. In drie grote delen belicht hij de rol die de zeevarende mogendheden vervulden in de strijd om specerijen. `Iberische dromen' verhaalt over befaamde ontdekkingsreizigers van het Iberische schiereiland, zoals Alfonso de Albuquergue en Magelhaes.

In het `Noordelijk verlangen' schrijft hij over de Engelse en Nederlandse kolonialisatie van de eilanden. Tot slot verschijnt op het oosterse toneel, betrekkelijk onbekend en onverwacht, de Nieuwe Wereld: in De geestdrift van New Engeland belicht Corn de cruciale rol van de Amerikanen op de specerijeilanden in de voorgaande eeuw. Het grote avontuur van de Portugezen, Spanjaarden is dan al voorbij. Deze naties die pionierden in de zeevaart raken in verval wanneer Amerika krachtig de wereldpolitiek naar zijn hand zet.

Je zou kunnen stellen dat elke korrel peper en nootmuskaat, elk droog, opgerold staafje kaneel een verhaal heeft te vertellen, zo geschakeerd en veelzijdig is de geschiedenis van de Europese kolonisatie in het Verre Oosten. Corn schrijft zijn boek als een ooggetuige, zonder de wetenschappelijke nauwgezetheid te verwaarlozen. Ooit was Malakka een strategisch onontbeerlijke haven. Nu heerst daar de vergane glorie zoals, in de vergelijking van Corn, op een `pastelschilderij'. Corn gaat terug naar het jaar 1511, het vroegste voorbeeld van de Europese expansiedrift in de oostelijk gelegen havens. Hij plaatst zichzelf als toeschouwer in dit theater van hebzucht en ambitie: `Die zomerdag lagen de schepen voor anker onder een moessonwind die hun zeemannen goed hadden leren kennen, want hij had over de vloot geraasd toen ze ten oosten van India voeren. In het noorden van Sumatra waren de Europeanen er niet alleen in geslaagd proviand te bemachtigen, maar ze hadden ook een paar jonken gevorderd. Nu zoog de wind door de straten, bracht de zeeen tot koken onder de strakgespannen ankertouwen en rukte aan de opgerolde en vastgebonden zeilen - het saai grijs van de Europese schepen en het helderrood, groen en geel van de jonken.'

Meteen na deze sfeervolle impressie volgt de omineuze zin, die de toon zet voor het hele boek: `De Portugezen waren van plan de specerijenhandel in handen te krijgen, maar om dat te verwezenlijken moest Malakka worden belegerd en veroverd.' Zo zal het bijna vier eeuwen doorgaan: na de Portugezen waren het de Spanjaarden die `de specerijenhandel in handen' wilden krijgen, na hen de Nederlanders, de Engelsen en de Amerikanen. Het is ook verbijsterend om te lezen met hoeveel vanzelfsprekendheid en nietsontziend egoisme de westerse landen zich deze paradijselijke eilanden toeeigenden. Alsof die wereld niet toebehoorde aan eigen koningen en aan de eigen bevolking maar aan het westen. Eenvoudigweg dobbelstenen in een groots opgezet spel. Getallen spelen altijd tot de verbeelding. Corn weet op essentiele ogenblikken in zijn boek het juiste voorbeeld te vinden. Toen de Engelsen in 1603 het nietige eiland Pulau Run koloniseerden, maakten zij op tien pond nootmuskaat de duizelingwekkende winst van 32.000 procent.

Intiem

De Portugezen lieten zich leiden door het idee dat de specerijeilanden werkelijk de Hof van Eden waren. Het bewijs hiervoor werd gevonden in de bijbel, zoals dat ook voor andere vermeende paradijzen gold, zoals Ceylon. Nadat de Portugese overheersing was gebroken, namen de Nederlanders het bewind op de eilanden over. De kleurrijkste maar ook de meest onverbiddelijke onder hen was Jan Pietersz. Coen, stichter van de fortificatie Jakarta, het huidige Jakarta. Op hardhandige wijze hield hij de productie laag om de prijs op te drijven en het Nederlandse handelsmonopolie te vestigen; de aanplant van kruidnagelbomen legde Coen aan banden. Wat teveel groeide, werd gekapt en platgebrand.

Kwam de oorspronkelijke bevolking in opstand of werd die van clandestiene teelt beschuldigd, dan volgde uitmoording of deportatie. De Compagnie was uitsluitend op eigen baat uit. Charles Corn kan prachtig schrijven boeiend, intiem. Door zijn ogen krijgt Amsterdam, de hoofzetel van de VOC een glans, die iemand die er dagelijks vertoeft zich nauwelijks kan voorstellen. Met liefde beschrijft hij de pakhuizen, geurend naar de specerijen met hun frisgeschilderde houten luiken, waarvan het `visuele effect dat (is) van honderden gigantische vlinders die op het punt staan weg te vliegen', een effect dat wordt verstrekt `door de weerspiegeling in de gracht die aan de straat grenst en dit statische tafereel verlevendigt en kleur verleent.'

Deze geuren van het paradijs, de Scents of Paradise zoals de oorspronkelijke titel luidt, zijn de hoofdpersonen in een boek vol drama. Specerijen werden de West-Europese obsessie. De strijd tussen de zeevarende naties kende nauwelijks enig respijt en Coen verbreidde de overtuiging `Geen Tien Geboden ten zuiden van de evenaar' te erkennen.

Het is jammer dat de geur van specerijen uit Amsterdam is verdwenen, misschien is hier of daar in een hoek van een verlaten pakhuis nog een vleug op te vangen. Na lezing van dit rijke boek heeft een handvol peperkorrels een heel andere betekenis gekregen. Onze grootste indringers waren niet de Spanjaarden zoals Charles Corn opgewekt schrijft, maar die peperkorrels die scherpgepunte kruidnagelen, de muskaatnoten en die rolletjes boombast die kaneel. Die hebben met al hun verleidingskunst ons land eeuwenlang betoverd, eigenlijk: getiranniseerd.