Trou moet blijcken

Die tarentaal Die kruiwawiel se skreeugeluid kerm hy droefgeestig uit terwyl die skeemring vinnig daal, die tarentaal. Hy soek - en dit is ook al laat - vir hom 'n kameraad, om in 'n boom die eensaamheid en nag te slyt. Saam sal hul in 'n blinkblaarboom half slaap, half waak, half droom, en by die naadring van verderf, alleen nie sterf. * Ek het gemik, en met die knal het een dood neergeval; die ander vlieg met wilde krag weg in die nag! Totius (1877-1953)

De Afrikaanse dichter Totius (pseudoniem van J.D. du Toit) is in Nederland ooit een beetje bekend geweest. In ouwe schoolbloemlezingen kwam hij voor, jawel. Ooit, jongens en meisjes, heeft er een tijd bestaan dat onze literatuurgeschiedenissen eindigden met een aanhangsel Zuid-Afrika. Het moet de tijd van de paardentrams en gaslantaarns zijn geweest. `Van stamverwante bodem' heetten zulke aanhangsels. In de bloemlezing Nieuwe Nederlandsche lyriek van P. van Renssen uit 1927 kwam Totius al voor en zijn beetje bekendheid heeft lang geduurd, want nog in 1959 verscheen er een apart bundeltje van hem, uitgegeven door dominee Buskes en met een inleiding van Roland Holst. De paardentram werd vergeten, Zuid-Afrika werd vergeten, Roland Holst werd vergeten en Totius werd vergeten.

Met het werk van een dichter kun je opnieuw kennismaken. Zodra we hem lezen leeft hij weer. Van stam en bodem zijn we gelukkig af, het werk moet voor zichzelf spreken. In de prachtige taal die Afrikaans heet en die door sommige Nederlanders als grappig en kinderlijk wordt ervaren, maar die ik zelf eerder onderga als iets mysterieus, met soms iets unheimlichs zelfs. Een taal waar naakte directheid en muziek elkaar niet in de weg zitten. Alsof eerst de dichters er waren, en toen pas de taal. Wat natuurlijk ook een beetje zo is.

Totius is een religieus dichter en hij begint ook als een simpel dichter, die goed naar Guido Gezelle heeft geluisterd. Maar je voelt al een zekere spanning, alsof hij het er niet helemaal mee eens is, met alle simpelheid die God met hem voorheeft. Onder zijn nagelaten gedichten bevindt zich het korte, troosteloze Ek is 'n vyand van die hede - het heden zegt hem niets omdat het zo voorbijsnelt, het verleden waar hij bevriend mee is wil niet meer bij hem komen en als hij de toekomst om gezelschap smeekt volgt er een ijzig zwijgen.

Nee, Totius was niet gelukkig.

Nu was zijn leven ook doordrenkt van dood en dood. Zijn oudste broer, zijn zuster en zijn vader overleden kort na elkaar. Later verloor hij twee kinderen, een slag die hij beschrijft met de economie van het verdriet zelf: `Einde 1920 is ons jongste, 'n jaaroud-seuntjie, oorlede aan harsingvliesontsteking. Hierdie lyde wat baie smartlik was, het ongeveer drie weke geduur en ons ouerharte geweldig aangegryp. Ons moes aanskou hoe die sterk-uitgegroeide kind wegteer totdat die laaste kraggies met die laaste asem weggevlug het.

Nog geen twee maande later nie is ons oudste dogtertjie Wilhelmina deur die weerlig dodelik getref terwyl ons met vakansie op my plasie naby Potchefstroom vertoef het. Dit was oujaars-aand en ons het net opgestaan van die aand-ete. In weemoedige stemming het ek na buite gegaan.' - waarna het sobere verhaal volgt van zijn terugkeer in huis, de knal, het dochtertje dat ergens een gordijn had willen sluiten en de bliksemstraal die, via haar oksel, haar hele lichaam had doorboord. Het vormt de inleiding van de pas veertien jaar na het onheil gepubliceerde dichtbundel Passieblomme, die een paar van de schokkendste gedichten over de onverwerkbaarheid van het verlies bevat uit de wereldliteratuur -

Ag, sy het niet gesterwe

maar sy was somar dood

- ineens was daar, in een handjevol gedichten, Totius een echte dichter geworden. De reele ervaringen die ten grondslag lagen aan zijn godsvertrouwen en twijfel zouden voortaan al zijn gedichten kleuren. Elke blik naar de hemel is bij hem een blik in de hel. Hij spreekt het nooit zo uit, maar je beseft het.

Hiernaast staat z'n nog eens veertien jaar later verschenen gedicht Die tarentaal.

Als je dus - hernieuwd - iets van Totius weet, dan is dit een verontrustend gedicht. Er is een schemering die snel (vinnig) invalt en er is het schreeuwgeluid, als van een kruiwagenwiel, van een tarentaal. Een tarentaal is een Afrikaans parelhoen - een soort gespikkelde kip, niet echt een adelaar. Ach, vogels heten in Afrika nu eenmaal tarentale tintinkies en piet-my-vroue. De tarentaal zoekt, al is het rijkelijk laat gezelschap tegen de eenzaamheid. Een kameraad met wie hij dommelt en droomt in de boom, wetend dat hij - als het onheil nadert - niet alleen hoeft te sterven.

De asterisk vormt een drastische overgang in het gedicht. Positie en tijd veranderen. Van het invoelen in de tarentaal verplaatsen we ons naar de gewapende buitenstaander. Wat voorafging bleek een flash back. De jager heeft de tarentaal al doodgeschoten. Het verontrustende - en knappe - van dit gedicht is dat we vervolgens met onze speculaties blijven zitten. Vier staccato regels, bijna monosyllabisch en de dichter laat ons `hangen'.

Er waren toch twee tarentalen? Wie is weg? Wie is gebleven? Wie is de een en wie de ander? Is het niet hoe dan ook de partner, het supplementaire deel dat werd afgeknald? Kan je het wel een ontsnapping noemen, wegvliegen in de nacht? Niet alleen te hoeven sterven, wat was dat voor dwaze droom?