Opdrachtgevers moeten weten wie zij in huis halen

Het begon met de zaak-Lancee; toen volgde de affaire-Steenhuis en er rest nog steeds de kwestie-Bakkenist.

De Schiermonnikoogse politieman Lancee werd, na in de zomer van 1996 (naar achteraf bleek: valselijk) van incest met zijn dochter te zijn beschuldigd, met veel machtsvertoon van zijn bed gelicht op bevel van de Groningse officier van justitie. De zaak leidde na veel politieke en publicitaire commotie tot een onderzoek, waarmee - in opdracht van de minister van Justitie - het organisatieadviesbureau Bakkenist werd belast. Het bureau werd gevraagd het functioneren van `de driehoek' in Groningen - de korpschef van de regiopolitie, de korpsbeheerder (burgemeester) en de officier van justitie - aan een nader onderzoek te onderwerpen. Nadat Bakkenist eind vorig jaar rapport had uitgebracht, werd - buiten ambtelijke kring - bekend dat procureur-generaal Steenhuis, onder wie Groningen ressorteert, een betaalde adviseursfunctie bij Bakkenist bekleedde. De minister was ontsteld. De affaire-Steenhuis was geboren en bleek bij verlossing al zwanger van de kwestie-Bakkenist: had de opdracht ook aanvaard mogen worden?

Tal van personen werden overgeplaatst ontslagen of namen ontslag. Steenhuis moest al zijn nevenfuncties opgeven en werd overgeplaatst naar Arnhem. Maar voor de beroepsgroep zelf was de kous daarmee niet af. De overkoepelende Raad van Organisatie Adviesbureaus besloot bij de tuchtrechter een klacht in te dienen tegen Bakkenist.

De zaak werd op 2 oktober behandeld. Volgens de Raad heeft “Bakkenist zijn professionele onafhankelijkheid in gevaar gebracht' en “in elk geval de schijn gewekt dat de onafhankelijkheid is prijsgegeven'. Met nadruk wordt vermeld dat Bakkenist “inmiddels in het openbaar heeft bekendgemaakt achteraf te betreuren de opdracht te hebben aanvaard'.

Dit laatste is overigens na alle deining pas in een derde persbericht - na twee voorafgaande persverklaringen dat er van vermenging van verantwoordelijkheden en/of belangenconflicten geen sprake kon zijn - door Bakkenist bekend.

Onmiddellijk na het verschijnen van het rapport-Dolman over deze affaire aan minister van Justitie Sorgdrager belde de voorzitter van de ROA, H. Andersson, het organisatieadviesbureau: “Na even discussieren begreep Bakkenist dat het goed zou zijn als het bureau deze casus zou voorleggen aan de Commissie van Toezicht' (NRC Handelsblad, 7 februari). Zo lijken de leden van de beroepsgroep elkaar even te vinden in hun gedeelde bezorgdheid over een (mogelijke) aantasting van vertrouwen in de bloeiende branche.

De organisatieadviesbranche heeft de afgelopen 25 jaar zowel kwantitatief als kwalitatief een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Professionalisering, specialisatie en kwaliteitsconcurrentie deden hun intrede, met beunhazerij productiedwang en hardere concurrentiepraktijken. Vragen naar nut, methode en ethiek van de duurbetaalde diensten deden zich sneller en op grotere schaal voor dan de antwoorden. En naarmate de consultants op steeds grotere schaal de particuliere en overheidsburelen infiltreerden werden de maatschappelijke consequenties van hun handelen groter en zwaarder.

Het siert de branche, en daar doet het welbegrepen eigenbelang niet aan af, dat zij zich van deze consequenties in haar gedragscode rekenschap geeft en door middel van tuchtrechtelijke toetsing bereid is haar normen te handhaven. Maar er zitten ook haken en ogen aan.

Zelfregulering en tuchtrecht, het stellen van normen en regels en het toetsen en sanctioneren daarvan in eigen kring, is bij tal van groepen van particulieren, bijvoorbeeld artsen, reclamemakers, middenstanders en sinds kort ook beurshandelaars zeer geliefd.

Vergeleken met overheidsregulering zijn er potentiele voordelen: snellere, meer deskundige en minder bureaucratische klachtenbehandeling; geringere belasting van de overheid. Die voordelen worden de samenleving zelden in hun volheid, en vaak helemaal niet, deelachtig. In plaats van consumentenbescherming lijkt het doel veelal zelfbescherming en -afscherming.

Voor de behandeling van de zaak-Bakkenist kan nu al worden vastgesteld dat van een onbureaucratische snelheid niet gesproken zal kunnen worden. Ook hier heeft de juridisering toegeslagen, met alle voor- en nadelen van dien. Ook de hang naar `respectability' van de groep en het voorkomen van gezichtsverlies van leden komt uit de casus duidelijk naar voren.

De ontknoping van de zaak-Bakkenist voor het tuchtcollege is voor vele partijen van belang. Vanzelfsprekend voor Bakkenist Management Consultants als aangeklaagde, en voor de branchegenoten, vertegenwoordigd door de ROA als klager.

Opdrachtgevers, hun werknemers en relaties moeten zich in het vervolg terdege afvragen wie/wat zij in huis halen en wie er door hun zelfregulering wordt beschermd.