Onvermijdelijke golfbeweging; CONJUNCTUUR

De economie versnelt, de economie vertraagt. Volgens de theorieen zijn dergelijke golfbewegingen onvermijdelijk. Maar over de duur ervan verschillen economen van mening.

HET BEEST - het grillige verloop van de economische ontwikkeling - leek getemd. Economen, politici en beleidsmakers dachten over genoeg instrumenten te beschikken om een economische groei van gemiddeld twee procent per jaar te garanderen. Maar binnen een halfjaar is het tij gekeerd en wordt een afzwakking van de economie verwacht. De laatste jaren van dit millennium zullen zelfs nauwelijks nog enige groei kennen, zo verwachten veel economische koffiedikkijkers.

“Groei met fluctuaties, een groei waarbij versnellingen en vertragingen elkaar afwisselen, is het normale beeld', doceert professor J. van Duijn, gepassioneerd onderzoeker van conjunctuurcyclische bewegingen. Geen enkel land, kapitalistisch of socialistisch, heeft zich ooit aan de economische golfbeweging kunnen onttrekken. Geen enkele overheid is er ooit in geslaagd deze zogenoemde conjunctuurbewegingen te elimineren.

De topeconoom van Robeco heeft veel onderzoek gedaan naar de Kondratieff, een golfbeweging met een lengte van vijfenveertig tot zestig jaar. Het is de meest omstreden conjunctuurbeweging, maar ook bij de andere cycli constateert Van Duijn bij veel economen, politici en beleidsmakers een ontkenning. “Een paar maanden voor de economische omslag is die ontkenning altijd het grootst.' Hij noemt als voorbeeld de eerste debatten tussen het nieuwe kabinet en de Tweede Kamer. “De vraag `wat doen we met de financiele meevallers' domineerde het debat bij de politieke beschouwingen; een paar weken later was het tij gekeerd en stond de vraag `hoe verwerken we de financiele tegenvallers' centraal', signaleert Van Duijn met een lichte ironie in zijn stem.

Ook een tweede Nederlandse conjunctuuronderzoeker, de voormalige minister van Financien H.J.

Witteveen, kan een lichte scepsis niet onderdrukken. “De beleidsmakers zijn er volledig door verrast', constateert hij in de serene beslotenheid van zijn studeerkamer in Wassenaar. De 77-jarige econoom bestudeert nog steeds nauwgezet de schommelingen in de economische activiteit.

Van Duijn en Witteveen werden tot voor kort beschouwd als de laatste der Mohikanen; twee economen die geloven in een regelmatige conjunctuurbeweging. De meeste economen onderkennen een eb- en vloedbeweging van het economisch getijde, maar geloven niet in een vaste regelmaat. Van Duijn en Witteveen zijn adepten van Joseph Schumpeter (1883-1950). Deze Oostenrijkse econoom formuleerde op 24-jarige leeftijd een theorie dat de economie niet evenwichtig groeit maar schoksgewijs.

Volgens Schumpeter zijn alle nieuwe ideeen in kunst, literatuur en politiek terug te voeren naar `trendsettende' persoonlijkheden. De economische vooruitgang zou voortspruiten uit de stoutmoedige beslissingen van ondernemers die nieuwe producten invoeren, nieuwe productiemethoden toepassen en nieuwe afzetmarkten ontdekken. Innovatie is volgens Schumpeter een cyclisch verschijnsel. Dat wil zeggen, de introductie van nieuwe producten en productieprocessen komt niet gelijkmatig verspreid voor, maar fluctueert. Tussen 1900 en 1998 is het bruto binnenlands product in Nederland, het totaal van wat er wordt omgezet aan goederen en diensten, vertwintigvoudigd. Dit komt neer op een jaarlijkse groei van ongeveer drie procent. Deze groei verliep niet gelijkmatig. Tussen 1900 en 1939 groeide de economie met gemiddeld 2,2 procent; het dubbele (4,4 procent) werd gerealiseerd in de periode 1948-1977.

De periode voor de Tweede Wereldoorlog kende jaren van een krachtige groei, de jaren twintig, maar ook jaren van stagnatie, de Grote Depressie.

Naast langere perioden van groeiversnelling en vertraging zien we ook kleine recessies. Van Duijn: “Wanneer in het dagelijks spraakgebruik de term recessie wordt gehanteerd, wordt daar vrijwel altijd de Juglar-recessie mee bedoeld. Het gaat in Nederland dan bijvoorbeeld om 1958, 1967, 1975, 1981/82 en 1992/93. Om de zeven tot elf jaar kan Nederland een recessie van betekenis tegemoetzien, waarbij de groei terugloopt of zelfs negatief wordt en waarin de werkloosheid als regel sterk oploopt.' Nederland bevindt zich op dit moment volgens Van Duijn in zo'n recessie.

Witteveen wil dat de overheid zich in zo'n neergaande fase intensief met de economie gaat bemoeien. De overheid moet de motor draaiende houden. “Om schommelingen zoveel mogelijk tegen te gaan, moet de overheid een actief beleid voeren. Handhaaf het evenwicht in de economie, zoek naar beleidsinstrumenten die daarvoor nodig zijn en gebruik ze', vindt Witteveen. “Evenwicht leidt tot veiligheid, dat is zo in het maatschappelijk en persoonlijk leven.'

Witteveen is een overtuigd Keynesiaan. Dat was al zo toen hij in 1949 hoogleraar werd aan de Economische Hogeschool in Rotterdam met als leeropdracht conjunctuurleer en economische politiek. Een halve eeuw later is hij nog steeds een trouw volgeling van John Maynard Keynes. Deze Britse econoom (1893-1946) vond dat de overheid in een neergaande economie de bestedingen moet vergroten om de vraag op peil te houden. Wanneer de vraag namelijk terugloopt, wordt de productiecapaciteit niet volledig benut en raken mensen hun baan kwijt. In een periode van hoogconjunctuur zou de overheid een stapje terug moeten doen.

Witteveen signaleert op dit moment een groeivertraging en volgens hem is de tijd rijp voor een anticyclisch begrotingsbeleid.

“Maar in het zogenoemde stabiliteitspact hebben de landen van de Economische en Monetaire Unie afgesproken dat eerst het tekort van de overheid naar nul moet zijn teruggebracht voordat een stimuleringsbeleid is toegestaan.'

Op het moment dat de overheid een actieve rol zou moeten spelen, wordt dit verboden door Europese spelregels. Behalve voor een actieve opstelling van de nationale overheid breekt Witteveen een lans voor Europees conjunctuurbeleid. “Op Europees niveau zou je de uitgaven tijdelijk kunnen vergroten, wanneer de recessie echt doorzet. Er moet voor worden gezorgd dat de uitgaven weer worden teruggebracht wanneer het economisch weer wat beter gaat.'

Witteveen verwacht op korte termijn een reveil van het conjunctuurbeleid, maar niet iedereen is overtuigd van de intervenierende rol van de overheid om conjunctuurbewegingen tegen te gaan. Als directeur van het Centraal Planbureau (CPB) wees de huidige minister van Financien, G. Zalm, altijd op het feit dat beleidsmakers niet het goede moment kunnen bepalen waarop de overheid zou moeten ingrijpen. “De overheid is altijd te laat, te traag, en kiest de verkeerde dosering', vat professor C. van Ewijk, adjunct-directeur van het CPB, samen. “Een overheid die zich afzijdig houdt, is - calamiteiten uitgezonderd - verstandig.'

Van Ewijk wijst op de “louterende werking' van een neergaande fase van een conjunctuurbeweging. “Het heeft een nuttig effect op de economie; de onrendabele elementen worden gesaneerd: economisch Darwinisme. In een recessie ben je gedwongen keuzen te maken. Ik geloof in het sanerende effect.'

Maar het moet niet te gek worden. Wanneer een recessie gepaard gaat met een sterke stijging van de werkloosheid dan moet de overheid ingrijpen.

“Zo'n verspilling van human capital moet je voorkomen', aldus Van Ewijk.

Hij heeft empirisch onderzoek gedaan naar de lange golfbeweging in de economie, de zogenoemde Kondratieff-golf. “Kondratieff bestaat niet', meent Van Ewijk. “Een lange golf met een vaste periodiciteit komt niet voor. Er zijn wel lange tijden van voor- en tegenspoed, maar een regelmaat is niet te vinden.'

Van Duijn bestrijdt die opvatting. “De periode 1973-1990/1992 zou je kunnen typeren als een economisch saneringsproces. Daar plukken we nu de vruchten van. Sinds het begin van de jaren negentig bevinden we ons in de opgaande fase van de vijfde Kondratieff. Dit is zonder twijfel de lange golf van de informatietechnologie.'

De twee economen geven ieder een eigen interpretatie aan statistische feiten: twee economen, twee theorieen.