Niets gebeurd vandaag

“Is er nog iets gebeurd vandaag?'

Toen we aan het einde van de pleziertocht aanmeerden in de haven van Chios zag ik een paar gezichten op de kade die weinig goeds beloofden. Het waren Jannis en Sakis, de jongens van het plezierbootje van de concurrent, de Chrysaki. Mijn vriend Kostas stond naast ze, ook al met zo'n ongewoon ernstige kop.

Zodra ze me zagen begonnen ze naar me te gebaren. De doodnormale vraag die ze me stelden klonk op de een of andere manier heel onheilspellend.

“Nee. Hoezo?'

Ze slaakten een zucht van verlichting.

“Wat is jullie dan overkomen?' vroeg ik angstig.

Kostas ging er eens voor zitten. Hij was in de buurt van het vulkaanstrand een boot aan het uittesten, toen ze een paniekerige boodschap van Chrysaki over de boordradio binnenkregen. Kostas zette snel koers naar het bootje. Toen hij langszij kwam, zag hij een groepje mannen, de seismologen die bij het vulkaanstrand metingen hadden willen verrichten, angstig bij elkaar klitten op het benedendek. Jannis en Sakis stonden bij de achterplecht te wijzen naar iets wat achter de Chrysaki aan dreef. Toen Kostas nog dichterbij kwam, zag hij dat het twee lichamen waren.

“Wie zijn dat?' riep Kostas, waarop Jannis en Sakis hun schouders ophaalden. Kostas waarschuwde onmiddellijk de havenpolitie, die hem sommeerde de lijken zo gauw mogelijk uit het water te halen. De Chrysaki voer de seismologen terug naar de haven Jannis bleef bij Kostas achter en samen lukte het ze uiteindelijk om de twee lijken de boot in te krijgen. “Allemachtig, wat waren ze zwaar!' zei Kostas, zijn ogen nog wijd open.

Op een van de lichamen vonden ze reispapieren. Kostas wist het nu zeker: dit waren Koerden, en het zou hem niets verbazen als er nog een tiental ronddreef.

Toen de havenpolitie arriveerde, dwongen ze Kostas mee te doen aan hun macabere zoektocht. Gaandeweg sloten meer Chiotische boten zich bij hen aan. Die middag werden nog vijftien andere lichamen uit het water gehaald. Slechts een overlevende werd gevonden, die gered was dankzij een groot stuk drijfhout.

Het bleek te gaan om een boot met dertig Iraakse Koerden aan boord, van het soort dat 's nachts regelmatig uit Turkije koers zet naar de Griekse eilanden. Mafiosi-achtige kapiteins laten de Koerden honderden dollars betalen om ze naar de overkant te helpen. De Turkse kustwacht knijpt een oogje toe, het land is de Koerden liever kwijt dan rijk. Eenmaal in Griekenland kunnen de Koerden rekenen op asiel, waarna de meesten verder trekken naar familie of bekenden elders in de wereld. Zaterdagnacht hadden ze de oversteek gewaagd. Maar de loeiende meltemi was te veel geweest voor de schuit, en deze bergbewoners, voor de eerste keer op zee, hadden zich niet weten te redden. In de loop van de zondag, terwijl ons plezierbootje vol toeristen vrolijk langs de pittoreske haventjes van Noordoost-Chios tufte, waren hun lichamen voor de zuidoostkust van Chios uit het water gevist.

Diezelfde avond nog had de politie dertig lichamen geborgen, wat klopte met de verklaring van de enige overlevende. De internationale pers zou er maar een paar regeltjes aan wijden; dit soort gebeurtenissen verkoopt beter als ze in Italie of Spanje plaatsvindt, lang niet zo'n ver-van-mijn-bed show als het Oostelijk Egeische bekken.

Chios kon rustig gaan slapen. Geen van de dertig is ook maar in de buurt gekomen van de overvolle Golden Sand Beach. Er was inderdaad niets gebeurd vandaag.