Nee! Geen alpenschnauzer!; Gipssporen maken

Het mooie van diersporen is dat ze zo kwetsbaar zijn. Elke pootafdruk in het zand staat net zo onwrikbaar op het snijvlak van ruimte en tijd als een kanonschot of een parkeerbon, maar een stevige regenbui en ze gaan voor eeuwig verloren. Alleen de natuur zelf heeft daar voor honderd procent vrede mee. Vergankelijkheid is leuk, maar het moet niet te ver gaan.

Als het weer eens een nacht langdurig heeft gehoosd, alarmeer ik twee oude bekenden, David (8) en Izzy (6), en hun moeder, en rukken we uit voordat een volgende depressie toeslaat. Benodigdheden: gips, water een pannetje en een bos met dieren. Behalve prachtig herfstweer is het ook een perfecte dag om gipssporen te maken. In de vroege ochtenduren, toen het wild nog rondliep, was het al droog. Als het tot acht uur 's ochtends regent, is er haast geen spoor te vinden. Alles wat we nu zien is recent, en dat is leuk om te weten. Misschien zit het hert of zwijn in kwestie wel naast ons onder een boom. In de auto oppert Izzy dat herten wellicht in holen leven, maar we concluderen dat ze dan vast zouden komen te zitten met hun geweien.

Het eerste pad is geen succes, want de Amerikaanse eiken erlangs hebben het zand al helemaal met hun blad bedekt maar op een pad over een veldje is het bingo, bingo en nog eens bingo. Door de regen is de grond in topvorm om sporen vast te houden. Al snel hebben we een ree en een hert getraceerd, de laatste zo diep in een modderig stuk dat een half pannetje gips verdwijnt in een hoefafdruk. Het reeenspoor daarentegen gaat maar een paar millimeter de grond in. Dat lossen we op met gipspap van precies de juiste dikte: zo dun dat het spoor helemaal vol loopt en zo stevig dat het surplus maar een paar centimeter zijwaarts wegstroomt en als een deksel op het eigenlijke spoor komt te liggen. Dat is de hele techniek. Verder is het een kwestie van minimaal een kwartier wachten.

Of intussen andere sporen gaan zoeken. We schrijven afschrikwekkende teksten met veel uitroeptekens tegen medewandelaars in het zand, wat nauwelijks nodig blijkt, omdat we nog geen honderd meter verder op een nieuwe lading sporen stuiten.

Het onderscheid maken tussen reeen- en hertensporen loopt al gesmeerd en we concentreren onze aandacht nu op trajecten. Bijna elke hoefafdruk blijkt als een pijl naar volgende afdrukken te wijzen, twee kanten op zelfs. We rusten niet voordat we een complete serie in beeld hebben en besluiten dan welk spoor voor altijd zal worden vastgelegd, of althans tot en met de eerste schooldag na de herfstvakantie.

David mengt het gips door eerst de pan bijna vol te gieten met water. Gelukkig hebben we een paar kilo poeder meegenomen en zijn er massa's sporen, waaronder een volmaakte prent van een zwijnenpoot, twaalf centimeter lang en dwars op het pad. Hoefdieren hebben per voet twee kleine achterhoeven, die bij herten zo hoog zitten dat ze alleen bij grote sprongen de grond raken. Bij een zwijn zie je ze bijna altijd - op de Veluwe en straks ook in een achtertuin ver daar vandaan.

Veel lastiger dan hoefdieren zijn de roofdieren vooral omdat er ook honden tussen kunnen zitten. Het verschil tussen een vos en een Deense dog is snel vastgesteld, maar voor je het weet kom je thuis met een gipsafdruk van een chow chow of een alpenschnauzer. In de stellige overtuiging een das op het spoor te zijn, verspillen we - blijkt later met de sporengids ernaast - een paar forse scheuten gips aan een herdershond.

Om het droogproces alle kansen te geven, lassen we een korte lusvormige wandeling in, met alle risico's vandien. Onderweg overwegen we een keer om tegenliggende wandelaars preventief knockout te slaan, ook omdat ze bij hun landing misschien mooie afdrukken in het zand zouden kunnen achterlaten; maar op het laatste moment bedenken we dat de resulterende gipsafdrukken ongeschikt zijn voor in de klas en dat onze tegenliggers misschien wel heel beschaafd zijn. Dat zijn ze: een van hen, een heer op leeftijd, vertelt met een milde glimlach dat hij als jongen ook gipsafdrukken heeft gemaakt.