`Lieve Reinder, dank je wel dat je er was'; Moeder besloot tot afbreken zwangerschap Down-kind

Marja Hulsman (39) uit Hilversum. Moeder van Reinout (2). Besloot drie jaar geleden tot het afbreken van een zwangerschap van negentien weken, omdat haar ongeboren kind het syndroom van Down had.

`Hij zag eruit als een klein aapje. Daar lag hij, met opgetrokken knietjes in de foetushouding. Alles zat erop en eraan. Tot aan het nageltje van zijn kleine teentje. Een heel klein plassertje. Alles. Ongelofelijk. Ik kon niet van hem afblijven. Je moederinstinct gaat meteen werken. Ik heb voortdurend met mijn vinger over zijn lijfje en zijn gezichtje gestreken. Zijn huid was nog heel doorzichtig, met allemaal kleine adertjes.

“Ik was vrij onverwacht zwanger geraakt. Kinderen krijgen was heel lang niet aan de orde geweest. We hadden de beslissing steeds maar uitgesteld. Voordat we van de schrik waren bekomen, was het al te laat voor een vlokkentest. Ik had nog maar net de zwangerschap geaccepteerd, dan ben je helemaal niet bezig met prenataal onderzoek. In de vijftiende week heb ik uiteindelijk een triple-test laten doen. Dat is een bloedonderzoek dat de kans op het syndroom van Down of een open ruggetje aangeeft. Even doen, voor de zekerheid - dat was het idee. Ze zouden bellen als het niet goed was. Een week later ging de telefoon. Een gynaecoloog van het ziekenhuis. Dan slaat je hart een paar slagen over. Het ging over het Downsyndroom, zei hij. `U heeft een kans van een op twee.' Het was het beste als we maar meteen naar het AMC gingen voor een vruchtwaterpunctie.

“We hadden het nooit bewust over die keuze gehad. Wel hadden we beiden al in ons achterhoofd dat we bij een slechte uitslag de zwangerschap zouden afbreken. Dat bezoek aan het AMC was heel naar en verdrietig. Ik was van top tot teen gespannen. Dan lig je tijdens zo'n punctie huilend op de onderzoekstafel. Twee weken daarna werden we opgebeld. Het was inderdaad het syndroom van Down. De arts belde op vrijdagavond.

Ze had speciaal om half negen gebeld, dan zou mijn man ook thuis zijn. Die was alleen net even naar de Albert Heijn. Ze is met me blijven praten totdat hij weer thuis kwam. We maakten een afspraak voor maandag.

“We wilden onszelf en het kind een mogelijke lijdensweg langs ziekenhuizen besparen. Veel kinderen met Down hebben een hartafwijking en andere ernstige lichamelijke problemen. Sommigen zijn diep zwakzinnig. Als het na allerlei operaties na twee jaar zou zijn gestorven, hadden we ons ook vreselijk gevoeld. Wat je ook kiest, het is altijd een slechte keuze. Maar we hebben geen moment getwijfeld. De vraag was alleen: hoe nu verder?

“Onze huisarts was inmiddels ook gebeld door het AMC. Op zaterdagochtend mochten we bij haar langskomen. Zij is zo aardig geweest om me in contact te brengen met een lotgenote die een half jaar eerder precies hetzelfde had meegemaakt. Dat heeft me ontzettend geholpen. Ik had zoveel vragen: in welk ziekenhuis doe je dat? Met welke methode? Wat ga je met het kind doen? Hoe vertel je het aan je omgeving? Maar vooral: wat ga je met het kind doen? Laat je het in het ziekenhuis of neem je het mee? In het ziekenhuis achterlaten leek me een afschuwelijk idee. Je hebt een halve zwangerschap voldragen, je krijgt een kind en dan laat je het daar achter. Wat doen ze er daar mee? Dat zal heus geen gewone crematie of begrafenis zijn. Gynaecologen zijn heel terughoudend met hun informatie hierover.

“Als vrouw ben je op zo'n moment heel sterk en heel goed in staat om allerlei dingen te regelen. Ik ben best perfectionistisch. Op zo'n moment ben ik op m'n best. Mijn man had eerder het gevoel van: `Nou, dit is het dan. Een dooie mus'. Als aanstaande moeder had ik het gevoel dat ik dit heel goed moest afhandelen.

“Die hele belangrijke beslissing was genomen: de zwangerschap afbreken. Maar daarna moet je nog heel veel beslissingen nemen die ontzettend belangrijk zijn voor de rouwverwerking. We besloten hem te begraven. We wisten dat het een jongetje was. Hij moest dus ook een naam hebben. Dat werd Reinder, naar een familielid van mijn man. Een naam om trots op te zijn, vonden we. Die dag heb ik met de begrafenisondernemer gebeld. Het kindje leeft nog in je buik en toch bespreek je de begrafenis. Wat voor kistje? Welke begraafplaats? Op welke dag en hoe laat? Hoe krijg je dat kindje op de begraafplaats? Een lijkwagen is in zo'n geval niet nodig. We zijn gaan kijken naar de kinderhof op een begraafplaats hier vlakbij op de hei. Het was begin oktober. Bij het vallen van de schemering. Dan sta je met je buikje op de begraafplaats van je kind. Maar wij hadden constant het gevoel: dit moeten we gewoon doen. We wilden het beste voor ons kind. Hem met zoveel mogelijk respect behandelen.

“Op dinsdag zijn we in het dorp inkopen voor hem gaan doen. Een kartonnen doos met een zonnebloemen-print waarin hij zou komen te liggen. Een moltondekentje. Een beertje. Kleertjes? Nee, dan had ik poppenkleertjes moeten kopen.

“Als hij maar dood geboren wordt. Dat heb ik vaak gedacht. Met deze methode zou dat het geval zijn, was mij verzekerd. De contracties van de baarmoeder zijn zo hevig, dat overleeft een kind niet. Toch was ik steeds bang dat hij nog zou leven.

“Toen ik op woensdag naar het AMC ging, was ik best wel opgewonden. Op een positieve manier. Ik ging een kindje krijgen. Weliswaar een dood kindje, maar toch - je gaat van alles doen. Kaartjes versturen. Van die dingen.

`Ben je er aan toe?' vroegen ze, voordat ze het infuus inbrachten om de bevalling op te wekken. Vanaf dat moment is het onomkeerbaar. Je bent ook angstig. Gaat het lang duren? Hoe zal het eruit zien? Als `ie maar niet meer leeft. Ik reageerde goed op het infuus. Mijn ouders en vrienden kwamen nog op bezoek. We zijn rustig de nacht in gegaan. Eigenlijk gebeurde er nog niks. Om twee uur kreeg ik buikpijn. Toen kreeg ik de eerste injectie tegen de pijn. Ze laten je zo min mogelijk pijn lijden. De vliezen braken. Het teken dat het was begonnen. Ik voelde me heerlijk met die pijnstillers. Ik was ontzettend rustig en heel relaxt en merkte niets van wat er om me heen gebeurde. Uiteindelijk begon ik toch wat weeen te voelen. Met twee, drie weeen was `ie eruit. Ik heb zelf niks hoeven doen. Hij leefde niet meer. Gelukkig.

“Toen hebben ze ons alleen gelaten. We hebben hem in zijn doos gelegd. Ik heb niet meer met hem in mijn armen gezeten. Daar heb ik achteraf wel spijt van. De doos wilde ik de hele tijd naast me hebben staan. Ik wilde hem zien, aanraken. Mijn man is de familie en de begrafenisondernemer gaan bellen. We waren ontzettend trots op ons kind. We hielden van hem. Heel tegengesteld natuurlijk aan de beslissing die je hebt genomen. Maar ik kan me geen spijt of schuld herinneren. Je bent eigenlijk zo druk bezig.

“In het ziekenhuis heeft hij de hele tijd bij mij op de kamer gestaan. 's Nachts heb ik hem zelf in de koelkast op de afdeling gezet. `O God', dacht ik, `nu moet hij natuurlijk naar een mortuarium'. Maar dat was niet nodig, zei de verpleegster. Ze deed de doos voor me in een plastic zak. Daar plakte ze een stickertje op met zijn naam en het symbool voor een jongetje.

Dat vond ik zo goed van ze. Alsof het een normaal kindje was met een bandje om de arm. Als je dat ziet, voel je je heel erg trots.

“De begrafenis was de volgende dag om elf uur. Mijn man reed me in de rolstoel het ziekenhuis uit. Reinder in de doos op schoot. We wilden nog bloemen voor hem kopen. Rode rozen. Je laat zo'n kindje natuurlijk niet alleen in de auto achter. Dus hup de doos mee onder de arm de bloemenwinkel in. Heel komisch eigenlijk. We hebben een kaartje voor hem geschreven: `Lieve Reinder, We geven je terug in Gods handen. Dank je wel dat je er was. We houden van je en zijn trots op je. Je mama en papa.' In die winkel zijn we alletwee in tranen uitgebarsten. Van alle emoties.

“Niemand heeft hem gezien. Behalve wij. Daar heb ik achteraf ook spijt van. Ik had hem heel graag aan mijn ouders laten zien.

“Ik met de doos. Mijn man met de bloemen. Een mevrouw en meneer van de begrafenisonderneming. Dat is dan de begrafenisstoet. Mijn man en ik moesten erg huilen. Je verliest je kind. Dat lijfje, dat lichaampje dat je weg moet brengen. Je voelt je heel erg leeg. De zon begon te schijnen. We hebben de doos nog even naast zijn graf gezet. De deksel eraf gedaan en afscheid genomen. We hebben hem nog geaaid en een zoen gegeven. Het heeft alles bij elkaar een kwartier geduurd.

“Dan sta je opeens weer thuis. We zijn als gekken kaartjes gaan schrijven. Die wilden we nog dezelfde middag op de post hebben. Ik was fysiek en emotioneel uitgeput. Ik moest ontzwangeren. Ik had stuwingen, alles. De kraamhulp was een enorme steun voor mij. Met haar heb ik opnieuw zo'n doos gekocht. En zo'n molton dekentje. En zo'n beertje. Een enorme verzamelwoede. Alles wat maar aan hem herinnerde moest ik hebben.

Zelfs de verpakking van het kraamverband heb ik bewaard. Die doos met spulletjes en foto`s staat nu bij ons op de slaapkamer.

“Eenmaal thuis kwam ook het schuldgevoel. Ik heb mijn eigen kind . . . niet vermoord, maar ik heb mijn eigen kind het leven niet gegund. Dat gevoel heb ik nog steeds. Dat is onlosmakelijk aan die beslissing verbonden. Dat zal je nooit helemaal loslaten.

“Op de markt zie ik hier wel eens een blond jongetje in een buggy met het syndroom van Down. Dan raak ik nog steeds van slag. Alsof je je eigen kind ziet. Je voelt vooral een gemis. Spijt heb ik nooit naarboven gehaald. Wel verdriet en schuldgevoel.

“Bij mijn tweede zwangerschap was ik de hele tijd aan het vergelijken. Die negentiende week. Dan beleef je het allemaal weer opnieuw. Tot aan het einde toe blijf je extra bang. Toch niet weer een dood kind? Stel dat het een dood kindje is, hoe doen we dat dan met de kaartjes? Van tevoren had ik al een scenario in mijn hoofd. Daar was mijn man bijna kwaad over.

“Meteen na de geboorte van Reinout wilde ik heel graag met hem naar het graf van Reinder. Om hem te laten zien: dit is je broertje. Dat was enorm belangrijk voor mij. Die twee zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar. Toen ik in verwachting was van Reinout, was ik nog niet uitgeteld van Reinder.

Ik zie mezelf als moeder van twee zoons.'