Een straatarm wolfskind in Koningsbergen

Martha Schiller is een van de negen `wolfskinderen' van Kaliningrad het schamele groepje Duitse oorlogswezen dat het Rode Leger in 1948 vergat te deporteren. Ze leeft van het statiegeld van flessen die ze op straat vindt.

Ze woont drie hoog in een vervallen Arbeiterhaus - een woord dat in de Russische stad Kaliningrad in de taal is geslopen. Het trappenhuis is donker en ruikt naar natte jassen. Martha Schiller zet de deur op een kier, en zegt verwonderd, in accentloos Duits: “Wie haben Sie mich gefunden?'

Een breekbaar oud vrouwtje is ze, gekleed in een tot op de draad versleten roze nachtpon. Tegen de radiator gedrukt zit haar doodzieke man een sigaret te roken. “Bitte, setzen Sie sich', zegt Martha, terwijl ze haar Sovjet-paspoort uit een keukenlade haalt. Daarin staat dat ze op 1 januari 1935 is geboren te Konigsberg, Koningsbergen in het Nederlands. Nationaliteit: Duitse. Frau Schiller is een van de negen tot nu toe bekende “wolfskinderen' - oorlogswezen die het komen en gaan van de Sovjets hebben overleefd en die pas onlangs als wrakhout van de geschiedenis zijn komen bovendrijven.

Koningsbergen, na 1255 de zetel van de Pruisische koningen, was tot 1945 Duits. Maar na een zwaar luchtbombardement van de Britse Royal Air Force, gevolgd door een Sovjet-beleg van drie maanden, viel dit nazi-bolwerk - grondig verwoest - in april 1945 in handen van het Rode Leger. Kaliningrad, zo ging de ruinestad die samen met 15.000 vierkante kilometer Oost-Pruisen als oorlogsbuit aan Rusland werd toegewezen, voortaan heten. De laatste 110.000 Koningsbergers, die niet op tijd hadden kunnen vluchten werden het jaar daarop naar Siberie en Duitsland gedeporteerd.

“Dat is alles wat wij op school hebben geleerd', had Anatoli Bachtin eerder gezegd, een historicus die in 1949 werd geboren. Bachtins vader was in 1946 in het kader van de bevolkingspolitiek naar de vrijwel lege Russische enclave gestuurd.

Hij herinnerde zich de laatste Duitsers, en de honger. Maar op vragen van Anatoli ('Wie woonden hier vroeger?') had zijn vader geen antwoord. “Niemand had dat', zei de historicus. “1945 was een absolute cesuur in de geschiedenis. Door de bevolkingsruil leefden zelfs de herinneringen niet voort. Van het bestaan van wolfskinderen wisten wij niets.'

Als schooljongen orienteerde Anatoli zich in het grauwe, onder beton verdwijnende Kaliningrad aan de kerktorens van rode baksteen, voor zover die waren blijven staan. Op zijn vijftiende had hij bij toeval foto's gezien uit een in 1958 in Duitsland uitgegeven boek: Konigsberg in 144 Bildern. Daarop stond in volle glorie het dertiende-eeuwse slot, de entree van de oude dierentuin, de eerste tram - beelden uit een sprookjeswereld.

Later als amateur-fotograaf legde Anatoli de oude huizen in gothische stijl vast, wat hem op een waarschuwing van de KGB kwam te staan: “Als u daarmee doorgaat zullen wij rapporteren dat u aan een ongezonde verering voor het Duitse fascisme lijdt.' Zover had hij het niet laten komen, en bij zijn sollicitatie in 1984 bij het stadsarchief was Bachtin, zij het met moeite, door de screening gerold.

Niet bekend

“Het enige wat we in het archief gevonden hebben was dat het nijlpaard van de dierentuin de bestorming van Koningsbergen had overleefd, samen met een hert en een ezeltje', vertelde Anatoli.

Uit een doos met opschrift 'Militaire correspondentie, 1945' haalde hij een medisch verslag van de militaire veearts Vladimir Polontski, die het beest met zeven scherfwonden in de rug had aangetroffen. “Ik heb de wonden met wodka uitgewassen en heb het nijlpaard vier liter wodka laten drinken om zijn eetlust op te wekken', rapporteerde Polontski. “Daarna at hij goed, maar kreeg last van verstoppingen die pas verdwenen nadat ik hem met de klisteerspuit had behandeld.' Het nijlpaard `Hans' was uitgegroeid tot een mascotte van het triomferende leger en had - anders dan de menselijke overlevers - inmiddels een eigen dossier in het archief. “Pas in 1995 hoorde ik van het bestaan van vijf Koningsbergers', zegt Anatoli. “En nu zijn er negen bekend.'

Martha Schiller had vroeger zelfs gedacht dat ze de enige was. “En er zijn ook mensen die mijn verhaal niet geloven', zegt ze in haar krappe, dampend hete keukentje. Een paar keer al heeft ze meegemaakt dat Duitse toeristen dachten dat ze krankzinnig was. Martha komt ze tegen bij het standbeeld van Immanuel Kant, de beroemdste Koningsberger, waar ze elke dag lege flessen zoekt voor het statiegeld. Die tien kopeke per fles zijn een aanvulling op haar maandpensioen van 214 roebel (25 gulden). “Als ik hun in het Duits vertel dat ik hier vlakbij in de Kreuzbergerstrasse ben geboren dan zeggen ze: ach onzin!' Martha's ogen worden vochtig, ze grijpt haar gezicht met beide handen vast. “Mein Gott ze houden me voor een gestoorde bedelaar die maar wat verzint.'

Maar Martha is wel degelijk in de Kreuzbergerstrasse geboren. “In een vrijstaand huis van twee verdiepingen, waar nu Russen wonen.' Van voor de oorlog herinnert ze zich alleen nog dat ze met haar ouders in de auto naar het park ging, en dat de entree tien Pfennig bedroeg.

Vanaf 1941 zat ze in de schoolbankjes, in een gebouw van rood metselwerk dat nu nog dienst doet als school nummer vijf. Haar vader werkte als opzichter bij de slachterijen, totdat hij naar het oostfront werd gestuurd. Kort daarop ging de school dicht, en veranderden de klaslokalen in een legerhospitaal zodat Martha thuis bij haar moeder kwam te zitten. “Telkens als de sirenes huilden moesten wij de schuilkelders in. Als het bombarderen voorbij was keken we uit het zolderraam om te zien welke gebouwen waren verdwenen.' Op een dag kwam het bericht dat haar vader aan de Wolga was omgekomen. “Mijn moeder drukte me tegen zich aan en zei: Als iemand je wat vraagt, zeg dan altijd dat je het niet weet. Maar liegen mag je niet.'

Martha was tien toen de Sovjet-soldaten de stad binnentrokken en elf toen haar moeder van de honger omkwam. Voordat de laatste groep in 1948 werd gedeporteerd, was de restbevolking van 110.000 zielen volgens recente berekeningen door ziekte, honger en moord tot 35.000 geslonken.

Waarom was Martha niet weggevoerd? “Misschien zijn ze mij vergeten ik weet het niet. Maar op een dag ben ik door een Russische vrouw opgepikt. Ze vervoerde vaten in een legertruck en ze zag me zitten tussen de ruines. Ze heeft me mee naar huis genomen, hier vlakbij, ook op drie hoog, en bij haar ben ik opgegroeid.' Martha bezat niets - zelfs geen jasknoop - dat aan haar vooroorlogse leven herinnerde. Ze had geen makkelijke jeugd gehad, ze had gevochten met een soldaat die haar wilde verkrachten, of daadwerkelijk verkracht heeft - dat houdt ze voor zich. “Nu ja, om wat er toen gebeurd is, heb ik besloten dat ik geen kinderen wilde.'

Martha had in de bouw gewerkt en later, net als haar vader in de vleesfabriek.

Door haar man Duits te leren was ze haar moedertaal nimmer verleerd, maar nu is hij zo ziek dat hij nauwelijks een klank kan uitbrengen. Geld om hem naar het ziekenhuis te brengen heeft Martha niet. “Vroeger was het leven makkelijker', zegt ze. “Een brood kostte twaalf kopeke.' Tegenwoordig is dat drie roebel, het statiegeld van dertig lege flessen.

“Nu moet ik roken', klinkt het met een zucht. Ze vertelt dat het leven draaglijker is geworden nu ze weet dat er acht anderen zijn die haar lot delen. Sinds vorige zomer kennen ze elkaar, toen de Duitse Stichting Konigsberg het schamele groepje getuigen van de geschiedenis voor het eerst bijeenbracht. “Ik ben me altijd Duitse blijven voelen', zegt Martha, na een lange trek van haar sigaret.