Dit land is een nachtmerrie; Wat joden elkaar aandoen in Israel riekt naar antisemitisme

In het Amerikaanse Wye Plantation onderhandelen de Israelische premier Netanyahu en de Palestijnse leider Yasser Arafat over een akkoord. Misschien heeft binnenkort een verandering plaats maar David Grossman is inmiddels het sprankelende gevoel kwijt dat het leven in Israel hem altijd geschonken heeft.

Tegen het einde van het joodse jaar, een tijd voor individueel en collectief gewetensonderzoek, kwamen ogenschijnlijk vreemde vragen bij me op. Bestaan er nog enigerlei Israeliers die naar hun gevoel het leven leiden dat ze willen leiden? Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de Israelische realiteit vooral een deprimerende combinatie van compromissen, angsten, apathie en fatalisme is geworden? Wie wordt eigenlijk nog vertegenwoordigd door de Israelische regering, die eens met een meerderheid van stemmen is gekozen?

Met andere woorden, zijn er nog Israeliers - al was het maar een handvol, van linkse of van rechtse signatuur - die hun stem zouden geven aan een leider die hun de huidige realiteit zou beloven?

“We hebben een fantastisch land', buldert premier Netanyahu bij elke gelegenheid. Hij heeft gelijk. We hebben inderdaad een fantastisch land, maar waarom lijkt het op een droom die langzaam maar zeker vervliegt? Hoe is het gekomen dat bijna elke grote bevolkingsgroep - orthodoxen, seculieren, kolonisten, aanhangers van Vrede Nu, Russische en Ethiopische immigranten, ultra-orthodoxen, werklozen, Israelische arabieren - zich beschouwt als een vervolgde minderheid onder een vijandig regime? Waarom hebben zoveel Israeliers het gevoel dat tussen hen en hun land een steeds dieper vacuum en vervreemding gapen?

Dat vacuum heeft blijkbaar iets hypnotiserends. Bijna zes miljoen mensen worden erin opgezogen zonder al te luid te protesteren. Ze roeren zich niet in regelmatige massademonstraties, protestacties op alle kruispunten individuele hongerstakingen of enig andere legitieme vorm van burgerlijk verzet. Er is zelfs niet een behoorlijk satirisch programma op de televisie.

Maar het gevoel iets mis te lopen blijft opborrelen. Net als het gevoel dat een kostbaar, zeldzaam goed onherroepelijk tussen onze vingers doorglipt. Misschien worden de Israeliers daarom van jaar tot jaar verbitterder en wrokkiger. Misschien richten ze hun vijandigheid als van gevangenen in dezelfde cel of compagnons van een slechtlopende onderneming, daarom op elkaar.

Wat hebben we toch weinig sympathie en begrip, zelfs voor andere Israeliers die niet tot onze `groep' behoren. Met hoeveel woede of spot reageren we op de oprechte, authentieke pijn van andere Israeliers dan `wij'. Alsof onze automatische, voortdurende weigering om ook maar een greintje van het Palestijnse lijden te erkennen - uit angst dat zoiets af zou doen aan ons `gelijk' - uiteindelijk is doorgedrongen tot ons diepste innerlijk en het gezonde verstand en het natuurlijke, instinctieve familiegevoel heeft uitgeschakeld. Wat joden elkaar aandoen in Israel, zo lijkt het soms, zou in andere landen namelijk worden bestempeld als niets anders dan antisemitisme.

Wie na lange afwezigheid een bezoek brengt aan Israel, staat meestal versteld van de groei van steden, het wegennet en het aantal winkelcentra, maar schrikt van de mensen, de agressie, de botheid en de grofheid. Wie hier woont verbaast zich er niet meer over dat binnen wonderbaarlijk korte tijd in de jonge, vriendelijke, dappere staat mentale processen van versnelde veroudering hebben plaatsgevonden; dat Israel zich met een merkwaardige gretigheid een gefixeerd argwanend en depressief gedrag heeft aangemeten en bovenal niet meer gelooft in zijn vermogen te veranderen en een nieuwe, betere toekomst tegemoet te gaan.

Als in een ouderwets science-fictionverhaal is een heel land verdwaald geraakt in een of ander `gat in de tijd', draait daar rondjes en is gedoemd een deel van de ellende uit zijn tragische geschiedenis te herhalen.

Misschien ontzeggen de Israeli's zich daarom, juist nu Israel zich op het hoogtepunt van zijn militaire macht bevindt, de mogelijkheid iets uit te richten en maken ze van zichzelf eigenlijk een slachtoffer (maar dit keer het slachtoffer van henzelf).

Met een stuitende, misdadige lijdzaamheid staan zes miljoen mensen toe te kijken bij de degeneratie van hun bewustzijn, wilskracht en oordeelsvermogen. Gelaten ondergaan ze de verdwijning van het vermogen onderscheid te maken tussen goed en kwaad, en vooral de aftakeling van het gezonde verstand, dat hen wakker schudt en herinnert aan de echte doelstellingen en behoeften van henzelf, hun volk, hun samenleving. Een heel volk lijkt ingeslapen, alsof het zich willens en wetens heeft verdoofd om de stille verschrikking van zijn situatie niet onder ogen te hoeven zien.

Je hoeft bijvoorbeeld maar te bedenken dat de regering meer en meer begrotingsgeld pompt in de uitbreiding van nederzettingen, die de situatie nog ingewikkelder en een politieke oplossing onmogelijk zullen maken.

Je hoeft maar te bedenken dat een heel volk zijn toekomst en de enige kans op ontsnapping uit de valkuil op het spel zet, alleen maar om toe te geven aan de brute messianistische neigingen van niet meer dan een paar honderd fanatiekelingen die per se in Hebron, Nabloes en de Gazastrook willen wonen.

En het ergst van alles, je moet bedenken dat we al 31 jaar over een ander volk heersen, terwijl we de keus hebben dat niet te doen.

Maar ook de onderdrukking van de Palestijnen is al een cliche geworden, nietwaar? Het Israelische oog is er al aan gewend geraakt krantenberichtjes over te slaan als het gaat om de Palestijnse baby's die sterven bij onze controleposten; de kinderen die in de vluchtelingenkampen flauwvallen van de dorst omdat Israelische ambtenaren de kraan dicht houden; de duizenden gezinnen van wie de huizen zijn vernield, met de smoes dat ze `illegaal' waren opgetrokken.

Wie kan het zich veroorloven zulke verschrikkingen onder ogen te zien? Wie wil tot zich laten doordringen dat het echt gebeurt, dat het ons echt gebeurt?

Als in een sprookje of een nachtmerrie is een heel land verdoofd. De mensen zijn wel wakker. Ze bewegen, maken geluiden en gebaren, reizen, sjouwen met meubels, doen zaken. Er is veel activiteit, veel kabaal. Maar onder dat alles knaagt voortdurend het gevoel dat hier iets onwerkelijk is, dat de samenleving blijft doordraaien uit inertie, maar het contact met de realiteit heeft verloren.

We zijn er zo goed in onszelf te verdoven, ons begrip en onze wilskracht uit te schakelen, dat ook tegenstanders van het regeringsbeleid niet meer de puf opbrengen er echt iets tegen te doen. En zo kan het gebeuren dat de oppositie, ondanks het schreeuwende gebrek aan leiderschap in de regering, niet in staat is uit haar midden ook maar een man naar voren te schuiven die kan voorzien in de diepe behoefte aan verbetering; iemand die de meerderheid achter zich kan krijgen, alleen maar omdat hij haar eindelijk iets biedt, een weg, een kans, een ontwaken.

Misschien betaalt Israel nu de zware tol voor de vele jaren dat het koppig gekant bleef tegen een compromis en weigerde de realiteit onder ogen te zien? Misschien hebben we de echt verschrikkelijke pech dat het vredesproces iets te laat tot ons is gekomen? Als je namelijk gedurende zo lange tijd en zo hartgrondig iets niet wilt, kan het gebeuren dat je op het laatst niets wilt en alle wil verliest. Op die manier is een volk dat jarenlang zoveel energie heeft gestoken in het niet-willen, nu verzeild geraakt in een situatie waarin het alles, echt alles, over zich heen laat komen.

Misschien vergis ik me. Misschien verloopt alles zoals het hoort, volgens een uitgekiend, geniaaal plan dat mijn begrip te boven gaat. Misschien vergis ik me, maar ik weet dat iets in me aan het uitdoven is. Ik ben het sprankelende gevoel kwijt dat het leven in Israel me altijd heeft geschonken. Ondanks alle kritiek en alle pijn was ik vroeger ook blij en zelfs trots te behoren bij een zo unieke, eenmalige en veelbelovende menselijke onderneming als de opbouw van Israel.

Ik probeer mezelf te troosten met de hoop dat binnenkort misschien toch een verandering zal plaatsvinden (niet een terugtrekking van een paar kilometer uit bezet gebied, maar een diepgaande mentaliteitsverandering). Misschien raken we binnenkort toch verlost van die kwade betovering. Waar mensen zijn, kan een impasse immers niet eeuwig voortduren.

Maar ik weet ook dat er delen van de menselijke en `collectieve' ziel zijn die niet alleen maar `voorlopig' of `tot de situatie verandert' kunnen worden uitgeschakeld, omdat je ze later niet meer kunt terugkrijgen.

En als de verandering eindelijk plaatsvindt (en laten we hopen op een verandering ten goede, niet weer een oorlog of een volksopstand) en we losbreken uit het web waarin we zijn verstrikt, dan zou het wel eens te laat kunnen zijn. Misschien boeken we wat politieke winst, misschien behouden we een aantal strategische heuvels en controleposten, terwijl we de hoofdzaak - dat wat echt onze identiteit en ons voortbestaan zeker stelt - verliezen.

Laten we de ogen openen en wakker worden uit deze nachtmerrie, die eigenlijk niemands droom is.