Cultuur en vrije tijd zijn elkaars concurrent geworden

De staatssecretaris van Cultuur vindt dat een brug moet worden geslagen tussen elitekunst en massacultuur. Niet alleen de afstand tot maar juist de competitieve nabijheid van de massacultuur zet de belangstelling onder druk, menen Andries van den Broek en Jos de Haan. Het lezen van boeken heeft flink terrein verloren Museumbezoek scoort niet onder de jeugd

Sinds zijn aantreden als staatssecretaris van Cultuur heeft Rick van der Ploeg het nodige stof doen opwaaien. Zonder omhaal van woorden stelde hij enkele moeilijke cultuurpolitieke thema's ter discussie. `Er dreigt een tweedeling te ontstaan tussen de gesubsidieerde wereld van de traditionele kunst en cultuur voor de elite en de vaak commerciele cultuur voor de massa', signaleerde Van der Ploeg, en `Jongeren keren zich steeds verder af van de traditionele kunsten'. Vervolgens deed hij enkele suggesties om een brug te slaan tussen elitekunst en massacultuur.

Het is bijna een wetmatigheid dat hoger opgeleiden vaker naar musea gaan, frequenter uitvoeringen van klassieke muziek en toneel bezoeken, en meer boeken lezen dan lager opgeleiden. Dit rechtvaardigt de verwachting dat een stijging van het opleidingsniveau tot een groei van de culturele belangstelling zou leiden. In de afgelopen decennia is het opleidingsniveau aanzienlijk gestegen. Momenteel heeft niet minder dan een kwart van de beroepsbevolking een opleiding op HBO- of universitair niveau. Ondanks additioneel overheidsbeleid om de publieke belangstelling voor kunst en cultuur te vergroten, heeft deze aanzienlijke verhoging van het onderwijsniveau evenwel niet tot een ferme groei van de culturele belangstelling geleid. Tegenover een licht stijgende belangstelling voor musea en klassieke muziek staat een stagnerende interesse voor toneel, terwijl boeken lezen zelfs flink terrein verloren heeft. De reden is dat er geduchte tegenkrachten tegenover stonden.

Zo bracht de welvaartsgroei meer andere vrijetijdsactiviteiten binnen het financiele bereik van steeds meer mensen en bracht de vrijetijdsindustrie een steeds groter aanbod aan vrijetijdsactiviteiten en -attributen op de markt.

Daarnaast had de ontkerkelijking tot gevolg dat levensbeschouwelijke restricties op de vrijetijdsbesteding verminderden, en maakte een zeker standsbesef plaats voor een informelere samenleving. Hierdoor kon men, zeker in de vrije tijd, vrijer de individuele voorkeuren gaan volgen. En voorts luidde de toestroom van vrouwen tot de arbeidsmarkt de opkomst van het tweeverdienershuishouden in. Daardoor kreeg men het steeds drukker met het combineren van carriere, huishouden, liefdeleven en ouderschap. Slechts de gegroeide aantallen gepensioneerden en vervroegde uittreders voorkwamen dat zich een flinke daling in de gemiddeld beschikbare hoeveelheid vrije tijd voordeed. Met name voor mensen in de leeftijd van 20 tot 50 jaar geldt dat zij hun uitdijend vrijetijdsrepertoire in minder vrije tijd moeten realiseren. Sinds 1975 verminderde hun wekelijkse vrije tijd met tweeeneenhalf uur tot ruim 43 uur.

Dit alles heeft de concurrentie om de beschikbare vrije tijd verscherpt. Als gevolg daarvan zijn er meer activiteiten waaraan men slechts `zo nu en dan' deelneemt. Er tekent zich een trend af naar een vervluchtiging van de vrijetijdsbesteding: men raakt bij meer activiteiten minder intensief betrokken. Omgekeerd trekken activiteiten verhoudingsgewijs minder vaste en meer incidentele deelnemers. Wat betreft cultuurdeelname geldt in dit verband dat de groei van het bezoek aan musea en klassieke concerten vooral uit een toestroom van incidentele bezoekers bestaat. Vanwege de verscherpte competitie om de vrije tijd is er minder vaste klandizie en bestaat voortdurend de kans dat een andere activiteit dan een culturele de voorkeur krijgt. De verbreding van het activiteitenpatroon betekent niet slechts dat meer mensen wel eens iets aan cultuur doen.

Het betekent eveneens dat degenen met een warme culturele belangstelling zich daarnaast ook meer voor andere zaken zijn gaan interesseren. Ook onder de trouwste bezoekers van musea en podia winnen allerlei niet-culturele vrijetijdsactiviteiten aan populariteit.

Sportbeoefening, cafe- en discobezoek alsmede langdurig televisiekijken zijn ook onder de leden van de culturele voorhoede steeds geliefder vormen van vermaak geworden. Het traditionele standsbesef over wat een cultuurkenner in zijn vrije tijd behoort te doen en laten lijkt op z'n retour. Tegenover een moeizame cultuurspreiding onder voorheen cultureel niet-actieve bevolkingsgroepen staat een spontane spreiding van niet-culturele activiteiten onder de culturele voorhoede. In zekere zin betekent dit een toenadering tussen elitekunst en massacultuur.

Menig cultureel niet-ingewijde bezoekt incidenteel een museum of voorstelling, menig cultureel geinteresseerde neemt ook aan allerlei niet-culturele vrijetijdsactiviteiten deel. Onder zowel incidentele als intensieve cultuurliefhebbers staat cultuur daardoor bloot aan een verscherpte concurrentie van andere vrijetijdsactiviteiten. Bovendien staan culturele belevenissen als museumbezoek, klassieke concerten en toneelvoorstellingen nog steeds slechts bij een minderheid van de Nederlandse bevolking op het vrijetijdsrepertoire.

Het aanbod van de vrijetijdsindustrie is vooral op jongeren gericht. Dit heeft de ontwikkeling van een `eigen' jeugdcultuur gestimuleerd. Daarbij speelde ook de onderwijsexpansie een rol. Door de verlenging van de leerwet verkeren jongeren langer vooral onder leeftijdgenoten, hetgeen hun gerichtheid op de eigen groep in de hand werkt.

In de jeugdcultuur behoren museumbezoek, klassieke concerten, toneelvoorstellingen en boeken lezen niet tot de statusverhogende activiteiten. In de peergroup zal men veeleer acceptatie of bewondering afdwingen met belevenissen tijdens een survival-weekend, een nieuwe grunge dan wel jungle cd, respectievelijk bungeejumpen of een spectaculaire video.

Jongeren bekommeren zich minder dan ouderen om traditionele cultuuruitingen en zijn bij uitstek de dragers van de populaire cultuur. Naarmate jongeren door deze jeugdcultuur anders `geprogrammeerd' worden, blijven ze mogelijk ook bij het klimmen der jaren op de hun vertrouwde populaire cultuur georienteerd. Er zijn aanwijzingen dat de dominante invloed in de jeugdjaren later in de levensloop van invloed blijft. Daarom bestaat de kans dat het publiek dat profijt trekt van de overheidssteun aan musea, toneel, klassieke muziek en literatuur zal vergrijzen en slinken.

Van der Ploeg stelt zich tot doel een brug te slaan tussen elitekunst en massacultuur. Enerzijds lijkt de noodzaak daartoe af te nemen, in die zin dat velen reeds met een been in de wereld van de elitekunst staan en met het andere been in de wereld van de massacultuur. Niet de afstand tot maar juist de competitieve nabijheid van de massacultuur zet de belangstelling voor elitekunst onder druk.

Anderzijds staat echter lang niet iedereen met een been in de wereld van de elitekunst. Met name jongeren zijn in hoofdzaak op de massacultuur georienteerd. Recent is in de bovenbouw van havo en VWO het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming geintroduceerd. Door jeugdigen langs deze weg met kunst en het culturele erfgoed in contact te brengen, kan wellicht tegengas worden geboden tegen de indringende invloed van de jeugdcultuur.

Recent ook, echter, bevolkten veertigers en vijftigers en masse het Haagse Malieveld om er een optreden van hun jeugdhelden The Rolling Stones bij te wonen. Daarmee illustreerden zij niet alleen nog altijd de invloed van hun jeugdjaren te ondervinden, maar gaven zij tevens hun kinderen te kennen dat Haitink in het Amsterdamse Concertgebouw niet de enig legitieme vorm van cultureel vermaak is.

Het culturele veld moet zich dan ook opmaken voor een blijvend scherpe competitie om de vrije tijd.