Brink in zootje ongeregeld

Zelden heb ik een voorstelling gezien die zo zeer van minachting voor het publiek getuigt als Sassafras van Jos Brink, een als `blijspul' gepresenteerd toneelstukje met liedjes dat alleen maar lijkt geschreven als excuus voor een paar verkleedpartijen en (deels eerder vertoonde) imitaties, een losse greep uit de moppentrommel, een overdaad aan kledderige kwinkslagen over bekende Nederlanders en een preekje voor de vaak dat, net als de rest, volkomen uit de lucht komt vallen.

Voor zo ver dit zooitje ergens over gaat, is het over een namaak-helderziende (Mary Michon) die een inwonende toneelspeler zonder werk (Brink) inschakelt om de door haar opgeroepen overledenen gestalte te geven. Brink, overigens piekfijn in het pak, speelt die gesjochten acteur - meestentijds een zelfingenomen, gedegeneerde kwal die in een opschepliedje zijn zelfportret schetst: “Naast mij is iedereen van bordpapier.' Dat klopt in dit geval vrij aardig, want hij is in de voorstelling de enige die met superieur gemak iets van niets weet te maken. Zonder ook maar ergens voor terug te deinzen, stapt hij uit zijn rol voor onderonsjes met het publiek en schiet de moppen af die hij er zonder enige relatie met het stuk in heeft geschreven.

Alles is onlogisch in Sassafras, tot en met de plotwendingen, de personages, de loze verzekeringen van de hoofdpersoon dat hij als acteur `integer' wil blijven, en de door een tingel-tangel-piano begeleide liedjes. Verbijsterend is de nonchalance waarmee dit alles op een hoop is geveegd. Van mij vreten ze alles, moet de aanstichter van deze schmiere-boel hebben gedacht - en het verbazingwekkendst van het hele geval is dat hij te oordelen aan de reacties van het premiere-publiek, nog gelijk heeft ook.