Verzet werkgevers tegen `veel te hoge' looneis vakbonden

De werkgeversorganisatie VNO-NCW verzet zich fel tegen de looneis die de vakbonden hebben gesteld voor de komende CAO-onderhandelingen.

De inzet van de bonden bij die onderhandelingen is een loonstijging van 3,5 procent. VNO-NCW-voorzitter H. Blankert verwerpt die “onverantwoorde en evident te hoge' eis en stelt dat het percentage “duidelijk lager' moet zijn dan 3 procent.

Dit zei Blankert vandaag bij de presentatie van de nota `Arbeidsvoorwaardenoverleg 1999' waarin de werkgevers hun CAO-inzet uiteenzetten.

Onmiddellijk nadat de bonden FNV en CNV medio september hun eisen presenteerden, reageerde VNO-NCW al afwijzend. Volgens de werkgevers toont de “gevaarlijke' looneis aan dat de werknemersorganisaties niets hebben geleerd van `1992-1993'. “Toen kwamen, bij een dalende conjunctuur, te lang te hoge

loonstijgingen tot stand, met alle schade van dien', meent Blankert.

Onder invloed van de economische topjaren 1989 en 1990 bleven de looneisen hoog op het moment dat de crisis in de jaren erna al om zich heen greep.

In 1993 eisten de werknemers 4,5 procent, terwijl de economische groei amper een procent bedroeg. De onderhandelingen kwamen uit op 2,8 procent.

Volgens de werkgeversvoorzitter zwakt de economische groei komende jaren weliswaar af, maar “is er geen reden voor paniek'. Wel ziet Blankert “tekenen van onzekerheid' bij zijn eigen leden, die investeringsbeslissingen uitstellen en minder uitzendkrachten aannemen.

Wat de werkgevers betreft krijgen CAO-onderhandelingen steeds meer het karakter van besprekingen over “kaders' waarbinnen individuele werknemers met hun eigen werkgever onderhandelen. Het gaat daarbij om het flexibele en prestatie-afhankelijke deel van het loon, bovenop de per bedrijfstak gemaakte afspraak over de loonstijging.

Omdat enkele eerder afgesloten CAO's dit jaar doorlopen, moeten de werkgevers accepteren dat de lonen volgend jaar met meer dan 3 procent zullen stijgen.

Volgend jaar staan onderhandelingen over CAO's van onder meer de schoonmaakbranche (166.000 werknemers), de metaal (300.000), de supermarkten (180.000) en de bouw (150.000) op het programma.