Van der Klei en Nijholt in serie bitse snedigheden

Voorstelling: En nu wij! door Willem Nijholt en Gerrie van der Klei. Script: Pieter van de Waterbeemd. Muziek o.l.v. Nico van der Linden. Regie: John Yost. Gezien: 18/10 in de Schouwburg, Gouda. Tournee t/m 6/3. Inl. (0297) 351711.

De kleedkamer heeft weer het bekende 'hoge minimalisme-gehalte', met andere woorden: geen bloemetje, geen douche, helemaal niks, en de koffiemachine werkt alleen op munten die je nergens kunt krijgen. Het vroegere artiestenduo dat ter gelegenheid van een gala nog een keer uit de mottenballen werd gehaald, is al meteen in de stemming voor het vertrouwde nummertje katten en kankeren. Dat zal me wat worden, als ze straks samen leuke liedjes moeten zingen.

Twintig jaar geleden vormden Willem Nijholt en Gerrie van der Klei in de musical Foxtrot van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink een varieté-duo met een nummer dat door hun wederzijdse gekift een cynische wending kreeg. Dat was grappig. Nu spelen ze dat stelling En nu wij! En na de pauze, als ze hun gala-optreden opvoeren, zingen ze ook dat bewust liedje weer. Alleen de grap van toen werkt nu niet meer, want in deze nieuwe context wordt al zo veel gebekvecht dat dit er óók nog wel bij kan.

De cabareteske tweepersoonsmusical, met nieuwe en bestaande liedjes, speelt zich voor de pauze af in de kleedkamer, waar de tegenzin in het aanstaande optreden te snijden is. Nijholt en Van der Klei wisselen er bitse snedigheden uit, zingen snerpend bedoelde nummers en laten allengs meer doorschemeren over het treurige verleden van de twee duettisten. Het zijn rollen waarin ze zich volop kunnen uitleven, want op al hun zang-, acteer- en danskwaliteiten wordt een beroep gedaan. Geen wonder: de voorstelling is hun eigen initiatief en werd door Pieter van de Waterbeemd geschreven naar hun eigen ideeën.

Het is Nijholt en Van der Klei aan te zien, dat ze het naar hun zin hebben in dit getalenteerde vertoon van valsigheid en malheur. De vraag is alleen of dat ook zal gelden voor hun publiek. Het feit blijft dat we de hele avond zitten te kijken naar twee personages wier beroepsmatige onoprechtheid ook buiten het theater goeddeels intact blijft - lieden die tegen iedereen schat! roepen en over iedereen serpent! denken. Die theatrale aanstelleritus zet de toon, en maakt het lastig enige compassie voor hun chagrijn op te brengen. Pas als er in de slotscène toch nog iets van werkelijk gevoel doorbreekt, is het te laat om daar nog door geraakt te worden.