Studie niet sneller met tempobeurs

De gemiddelde studieduur in het wetenschappelijk onderwijs neemt de

laatste jaren nauwelijks af. Studenten die in het studiejaar 1996/97 afstudeerden deden gemiddeld vijf jaar en negen maanden over hun studie

even lang als studenten die in 1995/96 hun doctoraaldiploma haalden. Beide lichtingen doorliepen hun studie maar twee maanden sneller dan de studenten die twee jaar daarvoor afstudeerden.

Dit blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de schoolloopbaan van studenten dat vandaag wordt gepubliceerd.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs betekent dit niet dat de in 1993 ingevoerde tempobeurs weinig zoden aan de dijk zet. De tempobeurs houdt in dat de beurs wordt omgezet

in een lening als de studievoortgang onvoldoende is geweest. Sinds 1995 moeten studenten jaarlijks ten minste de helft van het aantal studiepunten halen.

Volgens het ministerie is de periode sinds de invoering nog te kort om duidelijke conclusies te trekken.

G. Janssen, onderzoeker bij het CBS, beaamt dat deze cijfers geen duidelijk beeld geven van het effect van de tempobeurs. “Daarvoor kan je beter kijken naar het aantal

studenten dat de propedeuse afrondt', zegt hij. “In 1993 haalde dertig procent van de eerstejaars de propedeuse binnen een jaar. Drie jaar later was dat 38 procent.' Het studietempo van de eerstejaars neemt toe, maar dat hoeft niet te betekenen dat zij ook sneller afstuderen, benadrukt Janssen. “Dat kunnen we pas bekijken als ze hun diploma behaald hebben.'

Uit het CBS-rapport blijkt ook dat er tussen de verschillende studierichtingen grote verschillen in studietempo bestaan. Zo studeerden

in de sectoren gezondheid en landbouw studenten gemiddeld een jaar eerder af dan rechtenstudenten. Vrouwen die in de afgelopen drie jaar afstudeerden (tot 1997) deden gemiddeld vier maanden korter over hun studie dan mannen. In de sector taal en cultuur waren vrouwen zelfs negen maanden sneller.