Strafrechtspleging dient schijn van onzuiverheid te vermijden

Getuigen in een rechtszaak mogen niet vooraf psychologisch worden voorbereid op hun verhoor, menen G. Spong en T. Spronken. Psychologische

training kan ertoe leiden dat relevante procesinformatie wordt verzwegen.

In hoger beroep is in de strafzaak tegen Etienne U. gebleken dat politiefunctionarissen die als getuige zouden worden gehoord met goedvinden van het openbaar ministerie in Haarlem een daaraan voorafgaande psychologische training hebben gehad. De betrokken raadslieden, de procureur-generaal en ook het gerechtshof bleken geschokt.

In het `advocatenblad' Amice verscheen daarna een artikel van de hand van Micha Kat, die de drukte van de verdediging over deze getuigentrainingen nogal hypocriet noemde, omdat elke advocaat die zijn werk serieus neemt zijn getuigen op het verhoor in de rechtszaal zal voorbereiden. Volgens Kat zijn er zelfs advocaten die zich hebben gespecialiseerd in het prepareren van getuigen, een verschijnsel dat uit

de Verenigde Staten zou zijn komen overwaaien. Ook de algemeen secretaris van de Orde van Advocaten, mr. F. Heemskerk, deed een duit in het zakje.

Het opnemen van een `kantoorverklaring' was volgens hem betrekkelijk normaal en het trainen van getuigen zal, zowel volgens Kat als Heemskerk steeds belangrijker worden.

Voor een goed begrip en een zo evenwichtig mogelijke analyse van de ontstane commotie verdient het in de eerste plaats onderscheid te maken tussen twee categorieen van getuigen, te weten de zogeheten getuigen a charge en a decharge, oftewel

getuigen van het openbaar ministerie en getuigen van de verdediging. Volgens gedragsregel 16 voor advocaten zal de advocaat in strafzaken zich ervan dienen te onthouden getuigen die door het openbaar ministerie zijn

gedagvaard of opgeroepen vooraf te horen. Deze uit strafvorderlijk oogpunt bezien niet geheel vlekkeloos geredigeerde bepaling, die miskent dat getuigen van de verdediging door het openbaar ministerie moeten worden gedagvaard of opgeroepen, heeft tot strekking te voorkomen dat de raadsman zich schuldig maakt aan het beinvloeden van getuigen van de andere procespartij, het openbaar ministerie.

Hetzelfde mag ook van het openbaar ministerie worden verlangd. In zoverre valt hier te spreken

van een beginsel van behoorlijke procesorde. In casu ging het om (politie)getuigen die op verzoek van de verdediging werden gedagvaard.

Teneinde misverstanden te voorkomen moet gezegd worden dat het overigens wel de taak van de strafadvocaat is om zich goed te laten informeren omtrent de inhoud van de op verzoek van de verdediging af te leggen getuigenverklaring. In de eerste plaats vloeit deze plicht tot informatievergaring voort uit ons procesrecht. De verdediging is immers voor het dagvaarden of oproepen van zijn getuigen afhankelijk van het OM of de rechter. In het wettelijk systeem is voorts voorzien in

de mogelijkheid dat het openbaar ministerie een oproep kan weigeren indien het van oordeel is dat daardoor redelijkerwijs de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Ook de rechter heeft die mogelijkheid. Talrijk zijn dan ook de onaantastbare afwijzingen van verzoeken van de raadsman een bepaalde getuige op te roepen, indien hij verzuimt deugdelijk te motiveren waarom de getuige voor de verdediging van belang is of kan zijn.

Daarnaast geldt dat kennis inzake de inhoud van de af te leggen getuigenverklaring processtrategisch van belang is, aangezien uiteraard voorkomen moet worden dat de processuele positie van de verdachte daardoor verzwakt. En ten slotte is het natuurlijk zonde van de tijd en energie om een overbodige getuige te horen, vaak ook nog op kosten van de staat.

Op grond van het voorgaande dient een rechtstreeks contact tussen raadsman en getuige gerekend te worden tot een van de basistaken van de raadsman. Het verdient aanbeveling om verschillende redenen voorzichtig te zijn in dit contact.

Zowel het OM als de rechter plegen nogal eens een zodanig contact ten onrechte uit

te leggen als een poging de verklaring van de getuige ten gunste van de verdachte te willen beinvloeden.

Tegen deze dubieuze vooringenomenheid dient in de eerste plaats principieel krachtig stelling te worden genomen. Voorts kan uit de loop van het verhoor blijken dat van een zodanig veronderstelde beinvloeding geen sprake is geweest. Sommige raadslieden geven er in dit verband de voorkeur aan de bespreking met de

getuige voorafgaand aan de terechtzitting of tijdens de zitting voorafgaand aan het verhoor te melden om aldus een soort betrappingseffect te vermijden. In het kader van deze voorzichtigheid past ook het contact

met de getuige te doen plaatsvinden in tegenwoordigheid van een tweede advocaat.

Voorzichtigheid is ook geboden teneinde het risico van verdenking van uitlokking van meineed te voorkomen, althans te verkleinen. Hier doen zich niet zelden precaire situaties voor. Anders dan de secretaris van de Orde van Advocaten vermeldde, zijn wel degelijk gevallen bekend van advocaten die wegens uitlokking van meineed in dit verband zijn veroordeeld. Indien een raadsman op voorhand al dan niet via zijn client

weet of sterk vermoedt dat de betrokken getuige een meinedige verklaring

zal gaan afleggen, dient hij het verhoor of het afleggen van een zodanige verklaring te ontraden. Als de client dat advies negeert zal de raadsman

moeten kiezen tussen het neerleggen van de verdediging of het vermijden van medewerking aan de totstandkoming van een dergelijke verklaring door

geen vragen te stellen. Het trainen of prepareren van een getuige in de zin van inhoudelijke sturing is voor een raadsman op grond van het voorgaande dus in alle opzichten het stomste wat hij kan doen. Dit alles neemt echter niet weg dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden, waaronder het geboden of op zijn minst niet ongeoorloofd

geacht is de getuige te wijzen op de psychische druk die van een getuigenverhoor kan uitgaan. Men denke daarbij vooral aan zedenzaken. Hetzelfde geldt voor het attenderen van de getuige op een verschoningsrecht ten aanzien van vragen, indien door de beantwoording daarvan de getuige of bepaalde verwanten of zijn echtgenoot en sinds kort ook zijn of haar geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou(den) worden blootgesteld.

Tegen ongenuanceerde vergelijkingen met Amerikaanse advocatengewoonten, vaak zonder redelijke argumentatie denigrerend `Amerikaanse toestanden' genoemd, moet worden gewaarschuwd. Daarvoor is het processysteem te verschillend. Men bedenke hierbij vooral dat een advocaat in het Amerikaanse processysteem vanwege zijn disclosure-verplichtingen in detail vooraf moeten aangeven wat een getuige van de verdediging kan verklaren. Dat heet to present the case.

Met een enkel woord verdient het nog te reageren op het trainen c.q. prepareren van politie-getuigen door het OM. Ook ten aanzien van deze getuigen geldt uiteraard dat het risico van beinvloeding levensgroot op de loer ligt. Een bijzonder rechtsstatelijk negatief te waarderen aspect is hier nog aan verbonden. De beinvloeding die door psychologische training mogelijk

wordt kan er immers (licht) toe leiden dat relevante procesinformatie wordt verzwegen. Dit staat op gespannen voet met een eerlijke procesvoering. Een strafrechtspleging die streeft naar integriteit dient

niet slechts een zodanig risico maar ook de schijn van onzuiverheid zoveel mogelijk te vermijden.