Rentekoorts op geldmarkt

De Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve, verlaagde afgelopen donderdag de officiele rentetarieven met een kwart procentpunt. Deze rentestap was opmerkelijk, omdat zij niet kwam tijdens een reguliere bijeenkomst van het Federal Open Market Committee, het beleidsbepalende orgaan van de Fed. Minder dan drie weken geleden, toen wel tijdens een FOMC-bijeenkomst, werd de rente ook al met een kwart procentpunt verlaagd.

Deze `agressieve' renteverlagingen hebben bij sommige marktpartijen

de verwachting aangewakkerd dat ook andere grote industrielanden waaronder Duitsland en Nederland, binnenkort de rente verlagen. Dit past

in het beeld van een mondiale problematiek, waarop met gecoordineerde acties moet worden gereageerd.

Op de Nederlandse geldmarkt heeft deze verwachting bijgedragen tot een frappante daling van de tarieven. Zo is de eenmaands interbancaire rente in een week tijd met 9 basispunten (honderdste procentpunten) gedaald tot 3,21 procent. Daarmee is dit tarief onder de speciale beleningsrente van 3,3 procent uitgekomen.

Een dergelijk tarief is eigenlijk alleen te rechtvaardigen als de verwachting bestaat dat de beleningsrente nog de komende maand zal worden verlaagd. Dit lijkt niet waarschijnlijk. Enkele Europese landen moeten hun officiele rentetarieven nog (fors) verlagen, bijna zeker naar het niveau van de laagste Duitse rente, opdat bij aanvang van de Economische en Monetaire Unie (EMU) sprake is van een geldmarktrente in alle deelnemende landen.

Het is niet te verwachten dat de Bundesbank deze `renteconvergentie' zal bemoeilijken door het laagste tarief verder te verlagen. De renteconvergentie naar het Duits/Nederlandse niveau impliceert de facto een verlaging van de gemiddelde rente in het EMU-gebied.

De weekstaat, de verkorte balans van de Nederlandsche Bank, vertoont verder

een rustig beeld. De geldmarkt werd verruimd door een afname van de bankbiljettencirculatie met 144 miljoen gulden. Daartegenover stelde DNB

een 226 miljoen lagere speciale belening vast. Samen met enkele geringe mutaties in de overige posten resulteerde dit in een afname van de kasreserverekening met 103 miljoen gulden.