Markt domineert universiteit niet

Het thema universiteit en markt houdt de gemoederen flink bezig. In deze krant zijn de tegenstanders van een grotere invloed van de markt op de universiteiten tot nu toe in de meerderheid. Groenveld en Van Schie (medewerkers van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD), Von der Dunk (emeritus hoogleraar van de RUU), Huisman (sociologe aan de EUR) en het Kamerlid Van Bommel (SP) vrezen, dat bij universiteiten die hun heil zoeken op de markt geen plaats meer is voor fundamenteel onderzoek en academische vorming. Zij pleiten, impliciet of expliciet, voor kleinere, elitaire universiteiten. Dit beeld is minder aantrekkelijk dan de pleitbezorgers voorspiegelen. Bovendien berust het op een aantal onjuiste veronderstellingen over de invloed van de markt op de universiteiten.

De discussie over universiteit en markt is aangezwengeld door een aantal universitaire bestuurders in hun traditionele redes ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar. De bezuinigingen vormden de aanleiding. De houding van deze bestuurders doet denken aan de reactie van hun Britse collega's op de forse bezuinigingen van de regering-Thatcher op het hoger onderwijs in de jaren tachtig.

De Britse universiteiten hebben inmiddels de daad bij het woord gevoegd: ze

hebben zich afgewend van de overheid en zich gericht op de buitenwereld

Oxford en Cambridge voorop. Dit heeft niet geleid tot aantasting van de wetenschappelijke onafhankelijkheid of het prestige, zoals de Nederlandse tegenstanders van meer invloed van de markt verwachten. Universiteiten die extra geldbronnen aanboren, hebben zelfs hun wetenschappelijke aanzien kunnen vergroten.

Van Vught en Sevenstern (rector respectievelijk voorzitter van de Raad van Toezicht van de Universiteit Twente) wezen in

hun bijdrage in deze krant op het werk van de Amerikaanse socioloog Burton Clark. Clark noemt in zijn dit voorjaar verschenen onderzoek naar een aantal ondernemende Europese universiteiten versterking van het `academisch hart' van een universiteit de voorwaarde voor succesvol optreden op de markt. Clarks analyse van Warwick University zou verplichte literatuur moeten zijn voor iedereen die zich nog wil mengen in de discussie over universiteit en markt. Zowel voor de Britse als voor de Nederlandse universiteiten geldt dat `de markt' voor slechts een beperkt

gedeelte bestaat uit `het bedrijfsleven'. Universiteiten kennen drie geldstromen: de eerste geldstroom omvat de middelen die rechtstreeks van

de overheid komen (voor onderzoek is dat 2,4 miljard); de tweede geldstroom (350 miljoen) komt via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) bij de universiteiten terecht en de derde geldstroom omvat alle overige inkomstenbronnen.

Het CBS heeft berekend dat in 1995 voor 750 miljoen aan onderzoek uit de derde geldstroom werd bekostigd. Volgens het CBS komt slechts eenvijfde (150 miljoen) hiervan uit het bedrijfsleven, dat is iets meer dan 4 procent van de totale onderzoeksmiddelen. Het aandeel van het bedrijfsleven in het wetenschappelijk onderzoek in Nederland is dus niet bepaald dominant. De overige externe middelen komen uit EU-programma's (ca. 100 miljoen) collectebusfondsen als het Koningin Wilhelminafonds (200 miljoen) stimuleringsprogramma's van het ministerie van Economische Zaken, etc.

De middelen uit deze programma's worden in competitie met andere instellingen voor wetenschappelijk onderzoek verworven, in die zin opereren universiteiten op een markt. Het doel van deze programma's is echter het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek op bepaalde vakgebieden of thema's, er hoeven geen concrete producten te worden geleverd. Het gaat dus niet om contract- of opdrachtonderzoek. Daarom hebben de universiteiten bezwaren tegen het onderzoeksrapport van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO) waar Van Bommel

naar verwijst in zijn bijdrage in deze krant. Het IOO beschouwt alle inkomsten in de derde geldstroom als contractonderzoek en dat is derhalve een onjuiste veronderstelling.

Waarom is de derde geldstroom dan zo belangrijk voor universiteiten? Omdat het de financiele basis verbreedt en investeringen in onderzoeksmiddelen (apparatuur, software databestanden, maar ook menskracht) mogelijk maakt die uit de steeds krapper wordende overheidsmiddelen niet meer te betalen zijn. Al het onderzoek, ook het fundamentele, gedijt bij deze investeringen. Ook in het wetenschappelijk onderwijs heb je een brede basis nodig om de toptalenten van de toekomst te rekruteren.

Dat is in de wetenschap niet veel anders dan in het voetbal. In een samenleving die zich mondiaal moet bewijzen als een kennisintensieve samenleving is ieder verloren gegaan talent er een te veel.

Een dergelijke strategie verplicht het wetenschappelijk onderwijs overigens wel om goede opleidingprogramma's te maken die ook voor het niet-wetenschappelijke beroepenveld aantrekkelijk personeel opleveren. Dit is geen nieuwe eis. Het is altijd

al zo geweest dat slechts een beperkt gedeelte van de universitair afgestudeerden werk vindt aan een universiteit. Kwaliteit vereist dus massa. Maar volgens Groenveld en Van Schie, Von der Dunk en Huisman is de kwaliteit al lang verkwanseld. Immers, de publicatiedruk zou leiden tot onvoldragen producten van wetenschappelijk onderzoek. Jammer, dat de

discussianten zich niet wat meer tijd hebben gegund om de feiten na te gaan. In internationale vergelijkingen, zoals vorig jaar gepubliceerd in

Science, scoort het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek zeer goed niet vanwege de kwantiteit, maar juist vanwege de hoge impact, het wetenschappelijk gezag, van de publicaties. Ook het universitaire onderwijs kan zich meten met de beste instituten in Europa, zo bleek nog

onlangs uit een vergelijkend onderzoek in opdracht van Der Spiegel. De onderwijsvisitaties, waaraan alle universitaire opleidingen zich eenmaal

in de vijf jaar onderwerpen, geven beslist geen aanleiding tot zorg. Met de kwaliteit zit het dus wel goed. Met de middelen niet. Universiteiten zijn gedwongen zich op de markt te begeven om de noodzakelijke kwantiteit en kwaliteit te kunnen behouden. Niet iedere

Nederlandse universiteit zal als Oxford, Cambridge en Warwick de dubbelslag van versterking van de externe orientatie en van het `academisch hart' even gemakkelijk kunnen maken.

Het minste wat van een financieel terugtredende overheid verwacht mag worden is dat ze ook in de regelgeving een stapje terug doet en de universiteiten faciliteert

op hun weg naar eigen meesterschap. De nieuwe minister van OC&W lijkt in

ieder geval voor deze wens van de universiteiten begrip te tonen.