Klinisch onderzoek naar barbarij

Je zag haar al met zwoegende boezem van verontwaardiging weglopen vorig jaar uit de jury-beraadslagingen tijdens het filmfestival in Gent (1997): Gina Lollobrigida. De hoofdprijs van het festival ging geheel tegen haar

zin naar een film die zij op `morele gronden niet goed kon keuren' namelijk Witman fiuk van de Hongaarse regisseur Janos Szasz. Szasz verwierf eerder internationale bekendheid met zijn verfilming van Georg Buchners gelijknamige toneelstuk Woyzeck (1994), een kale kroniek van underdogs en outcasts. Het is een amusante drogreden waarop Lollobrigida zich beriep (dat een film over slechte mensen die slechte dingen doen ook nooit een goede film zou kunnen zijn), maar wel begrijpelijk. Soms stuit een filmgeschiedenis je zo tegen de borst dat het alleen mogelijk is met emotioneel gekleurde blik te kijken.

Verwonderlijk is het echter wel dat juist Witman fiuk zo'n heftige reactie wist op te roepen. Toegegeven, er gebeuren wat gruwelijke dingen

in de film, er worden dieren gedood en mensen vermoord, maar op zo'n manier dat je Szasz nauwelijks effectbejag kan verwijten. De wreedheden van de twee gebroeders Janos en Erno Witman (amper pubers nog) zijn waarschijnlijk nog het beste te vergelijken met de geheime clubs van Gerard Reve's Werther Nieland. Op bijna wetenschappelijke, maar wel ongelukkige manier trachten ze de onbegrijpelijke barbaarsheid van de wereld te onderzoeken. Zo gaan de broertjes Witman pas dieren martelen nadat hun vader is overleden. Want wat is dat, de dood?

En wat is liefde? Is dat de kille blik waarmee hun moeder, de ijskoningin, hen over de eettafel aanziet, of haar onhandige gerommel met haar nieuwe minnaar?

Zijn het de steelse blikken die haar zoons op het dienstmeisje werpen haar met hun ogen uit haar kleren pellend, maar zonder ooit te weten wat

zich onder die onderrokken en lijfjes echt verschuilt? Onhandig laverend

tussen liefde en dood, drijven de jongens steeds verder af van overzichtelijke begrippen als familie of huiselijke geborgenheid en vinden hun veiligheid tenslotte in de blos en de boezem van een prostituee. Maar echt warm wordt het ook in haar bed nooit, want Szasz (die zijn scenario baseerde op een kort verhaal van Geza Csath, een tijdgenoot en geestverwant van Franz Kafka) is een afstandelijke observator. In zijn berekenende kadreringen en esthetiek net zo koel als de moeder van de jongens.

Mooi is zijn film, net als zij, ongeschonden als de wintersneeuw die het vooroorlogse Hongarije overdekt, maar onaanraakbaar.