`Fokker plakte gewoon z'n naam op dat vliegtuig'

Fokker is dood. Bij het bankroet van de vliegtuigfabriek in 1996 zijn de restanten van Fokkers foto-archief ternauwernood gered. Sytze van der Zee ex-redacteur van NRC Handelsblad en ex-hoofdredacteur van Het Parool interviewde 35 mensen over de historie van Fokker, vliegen en vliegtuigen. Binnenkort verschijnt zijn boek daarover. Als voorpublicatie vandaag de eerste van een selectie van deze gesprekken, en een deel van het unieke fotomateriaal.

“Toen Anthony Fokker in de herfst van 1910 naar mijn oom, Jacob Goedecker, kwam, had hij een wrak bij zich, waarmee hij tevergeefs had geprobeerd te vliegen. Mijn oom genoot als vliegtuigconstructeur al enige bekendheid en had net een jaar daarvoor een vliegtuigfabriek op een scheepswerf bij Nieder-Walluf am Rhein geopend. Voor proefvluchten gebruikte hij het militaire oefenterrein `Groetanyahuer Sand' bij Mainz-Gonsenheim. Zijn eerste complete toestel was de Goedecker-Spin met

vrijdragende vleugels, dus zonder verspanning, waaraan hij vijf jaar lang in zijn ouderlijk huis had gewerkt. Maar voor dit toestel was de tijd nog niet rijp. Jacob Goedecker was zijn tijd ver vooruit en niemand durfde met zo'n toestel te vliegen. Bovendien waren er problemen met de luchtgekoelde motor.

Daarom besloot hij het anders aan te pakken: hij construeerde een eendekker met verspannen vleugels en een vijftig pk

watergekoelde Argus-motor, waarvan hij er drie wilde bouwen. Tegelijkertijd richtte hij een vliegschool op. Probleem was alleen dat hij niemand had die voortdurend inzetbaar was om op zijn Spinnen te vliegen. Tot de heer Fokker met zijn wrak ten tonele verscheen. Die zag meteen zijn kans schoon: hij ging in mijn ooms toestel zitten en vloog weg, al had hij niet eens een brevet.

Want Fokker was behalve een charmante Draufganger een echt natuurtalent. Hij kon heel goed vliegen en greep als twintigjarige met beide handen de kans die mijn oom hem bood. Na zijn brevet te hebben gehaald, werd hij testvlieger en deed mee aan demonstraties. (...) Verder gaf hij les aan rijke mensen die wilden leren vliegen. Maar Fokker kon geen vliegtuigen bouwen. Hij was niet in staat de berekeningen te maken die voor de constructie nodig zijn.

Daarvoor had hij de opleiding niet, in tegenstelling tot mijn oom, die aan de Technische Hogeschool in Aken en Charlottenburg had gestudeerd, onder

andere bij de beroemde professor Hugo Junkers.

Wat later de eerste Fokker-Spin ging heten, was in werkelijkheid een Goedecker-Spin die de heer Fokker bij mijn oom had besteld. Misschien had hij een paar algemene aanwijzingen gegeven - hij werkte als monteur mee aan het toestel - maar

veel stelde dat niet voor.

Ook toen Fokker anderhalf, twee jaar later naar Berlijn vertrok, waar hij op het vliegveld Johannisthal een hangar huurde om zelf een fabriek te beginnen, bleef mijn oom de constructeur en Fokker de piloot. De Fokker-Spinnen waren gewoon Goedecker-Spinnen, ook het toestel waarmee Fokker in de zomer van 1911 een demonstratievlucht boven Haarlem maakte. Hij had het hier en daar aangepast en er vervolgens Fokker op gezet. Er zijn nu eenmaal mensen die overal hun naam op plakken.

Hetzelfde deed hij met de machines die hij vanuit Berlijn bij mijn oom bestelde. Van de vijfentwintig die hij wilde hebben zijn er niet meer dan tien, hooguit vijftien geleverd. Waarom? Ik weet het niet, ik heb het er nooit met mijn oom over gehad. Ik heb een vermoeden dat Fokker slecht van betalen was.

Mijn oom was een heel serieuze man en een uiterst bekwame constructeur die alles tien keer testte. Hij was de oudste van veertien kinderen uit een zeer vermogende familie en heeft zelfs nog met de neven van de Oostenrijkse keizer op school gezeten. De laatste jaren voor zijn dood, in 1957, heb ik veel contact met hem gehad. Qua karakter was hij heel anders dan Fokker. Ze vulden elkaar aan: de een de man met de knowhow, de ander de snelle, energieke jongen die behalve dat hij goed kon vliegen ook wist hoe hij machines moest verkopen.

In het huidige jargon zou je hem marketing expert noemen. Al had mijn oom veel respect voor Fokker, op den duur bleek die vader-zoon-relatie niet vruchtbaar.

Fokker zag kennelijk hoe goed de toestellen van mijn oom functioneerden en in zijn jeugdige overmoed moet hij ervan overtuigd zijn geraakt dat hij dit zelf

ook kon. Het ging allemaal zo gemakkelijk (...). Ik heb begrepen dat Fokker iemand was die alles naar zijn hand wilde zetten, tegenslagen werden niet ingecalculeerd. Toen hij eens een noodlanding op een akker moest maken, vertelde hij later dat er plotseling mist was komen opzetten terwijl iedereen wist dat er helemaal geen mist was.

De Eerste Wereldoorlog, waar Fokker van heeft geprofiteerd, deed juist mijn oom de

das om. Het keizerlijke leger had aanvankelijk weinig belangstelling voor vliegtuigen en toen bedrijven als Albatros, Fokker, Rumpler en Goedecker

een offerte uitbrachten, viel in eerste instantie de keus op Albatros. Bij de Goedecker-fabriek werden vanaf dat moment alleen reparaties verricht, ook moest mijn oom in militaire dienst. Na de capitulatie mocht Duitsland geen vliegtuigen meer bouwen en hadden de Engelse bezetters zijn kapitaal en zijn fabriek in beslag genomen. Er viel dus niets meer te bouwen. Het duurde tot 1930 voordat hij alles weer terughad, maar toen was het te laat.

Je had je daarom kunnen voorstellen dat Fokker na 1918, toen hij met zijn Duitse oorlogswinsten een vliegtuigindustrie in Nederland opzette, naar Mainz was gereisd en had gezegd: Herr Goedecker

kom naar Nederland en help me met het bouwen van vliegtuigen. Maar dat is niet gebeurd. Had hij dat wel gedaan, dan had Nederland tenminste nog

de primeur van de eerste helikopter gehad, want daaraan werkte mijn oom al vanaf het begin van de jaren twintig.

Mogelijk heeft het te maken met de houding die Hollanders vaak tegenover Duitsers aannemen.

Ze hebben altijd de neiging zich op een overdreven manier tegen ons af te zetten, zoals Fokker ook eigenlijk met mijn oom deed. Jacob Goedecker

kon dan in de krant lezen wat de heer Fokker allemaal had gepresteerd. Talloze boeken zijn er de afgelopen zestig, zeventig jaar over Fokker geschreven, meestal door het bedrijf zelf geinitieerd, en dan vraag je je af waar ze al die leugens vandaan halen. Niemand heeft ooit de moeite

genomen om mijn oom te interviewen.

Ik heb al zo'n twintig jaar geleden het Aviodome geschreven dat we bereid waren aanvullende informatie te verstrekken, maar ik heb nooit iets van ze gehoord. Hetzelfde gebeurde toen ik tien jaar later het Fokkerbedrijf vroeg mijn neef Franz, de zoon

van Jacob Goedecker, uit te nodigen. Dat zou een mooi gebaar naar mijn neef zijn geweest, die na al die jaren van halve waarheden erg verbitterd is geraakt. Nu is het te laat, want Fokker is weg en Franz is een zieke

oude man van rond de tachtig die niet meer kan reizen.'