Fanny Ardant

In een reeks profielen van eigentijdse sterren deze week Fanny Ardant de weduwe van Francois Truffaut, die in `Elizabeth' een in bed vermoorde

Franse legeraanvoerster speelt.

Gentlemen prefer blondes, but they marry brunettes: het adagium van

Marilyn Monroe was ook van toepassing op regisseur Francois Truffaut (1932-1984). In de recent verschenen biografie van Truffaut wordt duidelijk hoe de rusteloze rokkenjager de laatste jaren van zijn leven relatief harmonieus doorbracht met Fanny Ardant, de moeder van zijn dochter Josephine. Ze had al wel enkele kleine rolletjes gespeeld bijvoorbeeld in Les chiens (Alain Jessua, 1978) en Les uns et les autres

(Claude Lelouch, 1981), maar het was Truffaut die van Ardant een ster maakte. Hoewel Truffauts zwanenzang Vivement dimanche! (1983) haar op het lijf geschreven was, een luchtige `film noir' in zwart-wit met een ironische speurster in regenjas, leek La femme d'a cote (1981) nog beter

uit te drukken waar de schalkse elegantie en haar troostrijke huilgezicht voor stonden: een grote, onontkoombare liefde, een eindbestemming, een noodlot.

Ardant heeft altijd zelf hard meegewerkt aan de onmogelijkheid haar in een vakje te stoppen. De meeste biografische beschrijvingen vermelden als geboorteplaats Monte Carlo (22 maart 1949)

maar voegen daaraan toe dat Ardant toegeeft `mythomaan' te zijn. De enkeling die het op het provinciale wijnstadje Saumur als haar geboorteplaats houdt, heeft dan ook waarschijnlijk eerder gelijk. Ook de personages van Ardant hebben altijd iets geheimzinnigs, als een courtisane die geen tegenspraak duldt, maar die je daarom nog niet op haar woord moet geloven. Het zijn nooit volksvrouwen, vaak dames met blauw bloed of intrigantes met een goed hart, in laatste instantie. De eerste helft van de jaren negentig leek ze een beetje van de voorgrond verdwenen maar het internationale publiek leerde haar pas goed kennen door een comeback als de gravin van Blayac in het kostuumstuk Ridicule (Patrice Leconte, 1996), maar ze was ook te zien in de remake van Sabrina (Sydney

Pollack, 1995) en won een Cesar voor de komedie Pedale douce (1996). De casting van Ardant in Elizabeth als Maria de Guise, niet alleen de moeder van Maria van Schotland, maar ook een bloeddorstige Franse legeraanvoerster, is een briljante vondst. Zelden is een 16de-eeuwse wapenrusting zo koket gedragen: dat koningin Elizabeths meesterspion Sir

Francis Walsingham (Geoffrey Rush) Maria verleidt om haar - in bed en buiten beeld - te kunnen vermoorden, wekt niet de verbazing die elke andere actrice in die rol teweeg zou hebben gebracht.

Veel mannen hebben moeite met de androgynie van Fanny Ardant, die zonder bijzonder mooi te zijn heel verleidelijk is, zonder een schijn van mannelijkheid in haar uiterlijk vaak onvrouwelijke dingen doet en van haar macht geniet. Het meest word ik altijd gehypnotiseerd door Ardants stem, die een bijna

fluisterend zacht, gedecideerd en muzikaal, nadrukkelijk articulerend sirenengeluid voortbrengt.

Behalve Truffaut maakten ook Alain Resnais en Ettore Scola meer dan eens gebruik van Ardants melodramatische toverkracht. Andre Delvaux plaatste haar in Benvenuta (1983) in het middelpunt van magisch Gent en Volker Schlondorff liet haar Madame de Guermantes spelen in zijn Proustverfilming Un amour de Swann (1984). Als Catherine Deneuve gekenmerkt wordt door hardheid en intelligentie dan stelt haar tegenhangster Ardant daar gratie en slimheid tegenover. De enige film waarin ze beiden optraden was een documentaire over hun beider geliefde Truffaut.