Eerste vakantie

Omdat het de goedkoopste badplaats in de wijde omtrek van Rotterdam heette te zijn en de gestoomde makreel er het lekkerst was en slechts een kwartje kostte, gingen we in augustus een week naar Katwijk. Ik moest nog tien jaar worden en het zou mijn eerste echte vakantie buiten de stad zijn (de paar dagen die we het vorig seizoen bij mijn vaders broer in Amersfoort hadden gelogeerd niet meegerekend). Wegens de kosten die eraan verbonden

waren en met het oog op het wisselvallige Hollandse klimaat had mijn moeder niet het risico genomen iets vooruit te bespreken, maar gewacht tot er een periode van stabiel zomerweer was aangebroken om er met mij en twee volle tassen op de bonnefooi heen te gaan.

In Leidschendam stapten we over op de stoomtram naar Katwijk, waar we op advies van de conducteur, bij wie mijn moeder de nodige informatie

had ingewonnen, niet naar de boulevard met de prijzige familiepensions op weg gingen, maar naar het eigenlijke vissersdorp, dat voordeliger mogelijkheden bood. Vanuit de verte zagen we het als een witte vlek tegen de duinen liggen, en ook van dichtbij leek alles er wit te zijn, met lage door zand en zeewind blank geschuurde gevels in doodstille straatjes waar mijn moeder huis aan huis begon aan te bellen om te vragen of er een kamer te huur was. Bijna overal verscheen een in het zwart geklede vrouw op de

drempel, die ons zwijgend taxeerde en met een ontkennend hoofdschudden de deur sloot.

Op het laatst schaamde ik me zo voor mijn onversaagd aanbellende moeder dat ik deed alsof ik niet bij haar hoorde. Warm en uitgeput, met mijn jurk plakkend tegen mijn rug, zette ik de zware tas telkens op ruime afstand van haar neer, en juist toen de opwinding van het vakantiegevoel zodanig was gezakt dat ik ons onverrichter zake zag terugkeren, werden we door twee, eveneens zwarte, vrouwen met duidelijke

tegenzin binnengelaten. De oudste, die het woord deed - de jongste bleek

haar dochter te zijn - toonde ons een eenvoudig vertrek aan de straatzijde, met een bedstee en glimmend zeil zonder kleed op de vloer. In het midden stond een schuin geplaatste tafel met vier ongemakkelijke rechte stoelen en tegen een van de muren bevond zich een opengeslagen harmonium, waarboven een beschilderd stuk boomschors hing met de woorden: `Ik ben de weg, de waarheid en het leven.'

Van de vijftien gulden die ze vroegen voor een week onderdak, wist mijn moeder twee gulden vijftig af te dingen, waarop als voorwaarde werd gesteld, dat we geen sleutel kregen en geen gebruik van elektrisch licht zouden maken, dat we

alleen in de keuken zouden komen om ons te wassen en thee te zetten en we in de gang onze schoenen zouden uittrekken, wanneer we naar het strand waren geweest.

Uit de rest van de onderhandelingen begreep ik dat de twee vrouwen zolang hun intrek op de vliering namen en dat mij de bedstee van de dochter in de achterkamer werd toegewezen, waar ik elke ochtend bij het ontwaken uitzicht bleek te hebben op een vervallen afdak

waaronder een roerloos konijn in een hok met kippengaas naar zijn verloren vrijheid in het duinlandschap zat te staren. Voor ze ons alleen lieten wees de oudste vrouw als terloops op de levensgrote portretten van een man en een jongen in donkere, ovale lijsten aan weerskanten van de schoorsteen en zei: `Mijn man en mijn zoon, allebei op zee gebleven.'

Er werd onmiddellijk een briefkaart met het adres van ons zojuist verworven vakantieverblijf naar mijn vader gestuurd, die zich een etmaal

later op tennisschoenen en met een rood-witgestreept lint om de bol van zijn panamahoed bij ons voegde. Hij zou er echter geen enkele avond zijn aangezien hij en zijn collega al weken tevoren met hun nummer `De Snarenzangers' een engagement in het Scala-theater aan de Kruiskade hadden gekregen, wat in de zomer als een grote buitenkans mocht worden beschouwd. Wel bracht het veel ongemak mee, daar hij elke dag tussen Katwijk en Rotterdam op en neer moest reizen en we genoodzaakt waren vroeg te eten, wilde hij op tijd voor de eerste voorstelling in de bioscoop zijn. Bovendien moest hij in Rotterdam eerst zijn citer, die hij niet in

de kleedkamer van Scala dorst achter te laten, uit het depot van het Delftschepoortstation halen en hem er na de tweede voorstelling weer terugbrengen, alvorens zich naar de trein te haasten die in Leidschendam

aansluiting had op de laatste stoomtram.

Het bleef schitterend weer en elke ochtend trokken we naar het dunbevolkte strand, waar we - behalve mijn moeder, die haar kleren aanhield - vuurrood verbrandden en bij laag

water naar de zandbank waadden, waarbij de grond onder onze voeten steeds verder opliep tot we boven een duizelingwekkend wijde zeespiegel stonden.

Klokslag vier uur belden we in het uitgestorven straatje bij ons tijdelijk onderkomen aan en nadat we volgens voorschrift onze schoenen in de gang hadden achtergelaten, werd er aan de tafel met de ongemakkelijke stoelen de onveranderlijke makreel met brood en thee genuttigd, waarna we mijn vader naar de tram brachten en zelf nog enige tijd op een bank aan de boulevard naar de laagstaande zon boven de golven bleven kijken. Dan kwam de lange avond in de stille kamer, waar geen licht mocht worden gemaakt en in het halfduister de witte knoppen van het harmonium als de dode ogen van verdronken vissers oplichtten en de vader

en zijn zoon in de ovale lijsten onbewogen op ons neerkeken.

Toen het einde van de week naderde, kon ik geen makreel meer zien en weerhield alleen de gedachte dat mijn moeder de afgedongen rijksdaalder alsnog zou

moeten betalen mij ervan om de deur van het konijnenhok te openen als ik

'sochtends tussen de ruwe lakens van de bedstee wakker werd. We vertrokken op zaterdag, wat goed uitkwam omdat mijn vader die dag matinee had, en toen we in de tram zaten en de witte vlek van Katwijk in de verte verdween, hield ik mezelf voor dat het een geslaagde vakantie was geweest ondanks de stugge zwarte vrouwen op de vliering en de man en de jongen die op zee waren gebleven, en ondanks het eenzame konijn achter het kippengaas.