Een kilo Nederland

Het gewicht van de natie. De Grote Almanak voor informatie en advies, de editie voor juli-december 1998, uitgegeven door het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, weegt 1 kilo 80 gram, telt 901 pagina's waarvan er 60 in beslag worden genomen door het trefwoordenregister, dat gaat van het cijfer nul tot de letter z; van 06-verslaving, zie: telefoonverslaving tot zwervers, zie: thuislozen.

Voor praktisch alles wat de mens in de contacten met zijn familie buren, samenleving en staat onaangenaam kan verrassen is een bureau of een centrale waar hij terecht kan voor het geval hij, modern mondig burger, zich machteloos voelt. De Almanak zelf dient om hem in deze doolhof van hulpaanbieders niet te laten verdwalen;

het is het boek der boeken van de verzorging. Wie zijn land op een andere manier wil leren kennen, niet door tochtjes te maken of in de file te staan, kan leerzame uren doorbrengen met de Grote Almanak. Terwijl hij leest, verder bladert, ontplooien zich de vergezichten op voorzieningen

opvangnetten en voorschriften, het Panorama van Mesdag van de Nederlandse verzorgingsstaat.

Achter deze lectuur doemen de cohorten van naamloze wetgevers op die met elkaar, collectief, in jaren van zorgvuldigheid en vlijt dit meesterwerk bij elkaar hebben bedacht en geschreven. En daarachter weer de bureaus, met de ambtenaren die de regels moeten toepassen en daarachter de loketten waar de rijen van hoopvolle, rechthebbende miskende of woedende klanten wachten. De Almanak beschrijft een toppunt van politieke beschaving; uit de pagina's verrijst langzamerhand een onmetelijke bureaucratie; en ten slotte kun je het gevoel krijgen dat je

een reis hebt gemaakt door het benauwde totaal van een gewatteerde dictatuur. Hoe je het opvat, hangt af van de mate waarin je op de verzorgingen bent aangewezen.

Tot zover het poetisch deel van dit verhaal. Dat het poetisch is valt ons niet meer op omdat we aan dit panorama - paradijselijk voor de miljarden die niet in Nederland wonen - gewend zijn. Sinds dr.Willem Drees sr. ieder jaar meer, zodat we na een halve eeuw denken dat het zo hoort. De Nederlandse verzorgingsstaat, met

zijn ups en downs, is tot de Nederlandse natuur gaan behoren. Vandaar de

vergelijking met het Panorama van Mesdag. Het verschil is dat het verzorgingspanorama onophoudelijk in beweging is en gefinancierd moet worden.

Het geld daarvoor komt uit de bloei en groei van de economie. Hoewel het nog lang niet zo ver is, en niet kan worden uitgesloten dat de algemene koersval op de beurzen als een gezonde correctie moet worden beschouwd in plaats van als een teken dat er een wereldrecessie op handen is, zien we de laatste tijd dat met deze mogelijkheid meer rekening wordt gehouden. Weekbladen die de wereldopinie maken, verschijnen met depressiesymboliek op hun omslag, in hun beschouwingen laten economen van internationale faam meer ruimte aan de pessimistische varianten.

De echte depressie woedt in Indonesie, met alle klassieke verschijnselen, waaronder het belangrijkste: de groei van

een proletariaat, een massa van werklozen zonder uitzicht. Een massa dus

die erop wacht zich te laten politiseren.

Dat is ver weg. Kan zoiets in Europa gebeuren? Het is niet waarschijnlijk, zeggen de economen die anderhalf jaar geleden een crisis in Zuidoost-Azie nog niet waarschijnlijk vonden. Deze opvatting van waarschijnlijkheid op zichzelf al rechtvaardigt de vraag: wat indien wel? Om onze verbeeldingskracht te helpen hebben we

de geschiedenis van de naoorlogse recessies die het Westen politiek ongeschokt hebben gelaten, en de depressie van de jaren dertig die de wereld heeft veranderd. Welk voorbeeld kiezen we? Ieder voorbeeld is het verkeerde.

Dat komt omdat naar vorm van organisaties - de levensbeschouwelijke en godsdienstige, de politieke, sociale en de bureaucratische - de Westerse maatschappij van nu nauwelijks nog te vergelijken valt met die van een jaar of zestig geleden. De kerken hadden moreel gezag, de massapartijen steunden op hun ideologische onderbouw aan sociale controle viel niet te twijfelen, het individu bestond in de eerste plaats als een sociaal en politiek wezen, en als het in deze opzichten niet was gerangeerd, viel er van de staat weinig te verwachten. Zestig jaar later is het andersom: de ideologieen zijn door iedere denker doodverklaard, politieke partijen bestaan over het algemeen alleen in verkiezingstijd, sociale controle is uitsluitend aan de gewapende politie toevertrouwd, het individu is niet meer maatschappelijk maar in de economische organisatie gerangeerd, en valt het eruit, dan is het eraan gewend van de staat alles te verwachten.

Zoals we uit de Grote Almanak leren, en zoals honderdduizenden dat dagelijks ervaren, is de samenhang in de Nederlandse verzorgingsstaat een fijner, zorgvuldiger

geweven web dan ooit tevoren. Maar het is een web van organisatiekunde of zelfs meer: een organisatiekunst om de kunst. De kosten daarvan worden gedragen door de florerende economie. Als bij een lange crisis en diepe recessie van de wereldeconomie Nederland daarvan onvermijdelijk de gevolgen ondervindt, verschrompelt het panorama van verzorging. Een massa van onbekende omvang - een grote zal het zeker zijn - doet een beroep op

een verzwakt vangnet. Deze massa zonder kerkelijke, sociale of politieke

cohesie verdringt zich voor een steeds kleiner aantal loketten. Stijgende vraag, krimpend aanbod. Dat kan niet lang duren. Het is onvermijdelijk dat de eenlingen zich zullen politiseren; dat daaruit dus nieuwe organisaties van politieke zelfverdediging zullen groeien. Hoe, met welke methoden ze te werk zullen gaan en welk doel weten we niet. Of er woede zou ontstaan, en of de daaruit voortkomende politieke energie zich tegen

de profeten van de vrije markt zou richten - de hemel zal het weten. Groter kans op een economische neergang betekent groter waarschijnlijkheid dat de politiek niet aan een radicale herverdeling van het aangetaste nationaal inkomen zou kunnen ontkomen. Als de politiek van nu ergens niet op berekend is, dan op dit mogelijk vooruitzicht.