Dichteres die boven de partijen stond

M. Vasalis was de dichteres van een om allerlei redenen bijzonder oeuvre. Bijzonder omdat het klein is: het telt niet veel meer dan honderd gedichten, verspreid over drie bundels. Bijzonder omdat het in korte tijd geschreven werd, in minder dan twintig jaar. Bijzonder omdat het al heel lang, bijna een halve eeuw, als afgesloten kan worden beschouwd. En vooral bijzonder omdat het ondanks dit alles toch een grote bekendheid en populariteit wist te verwerven en te behouden, tot op de dag van vandaag. De poëzie van Vasalis, die, naar gisteren bekend werd, vorige week vrijdag op 89-jarige leeftijd overleed, wordt nog steeds veel gelezen en geciteerd.

Gedichten als `Afsluitdijk', `Aan een boom in het Vondelpark', `Het ezeltje', `Fanfare-corps' en `Herfst' zijn klassiek geworden. Regels als `Ik ben voor bijna alles bang geweest', `Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd' en `Wijl men om het bestaan niet wenen moet' zijn opgenomen in het collectieve geheugen. En het begin van `Sotto Voce' heeft zich in de loop der jaren een vaste plaats verworven in de top tien van de rouwadvertentiepoëzie: `Zoveel soorten van verdriet, / ik noem ze niet. / Maar één, het afstand doen en scheiden. / En niet het snijden doet zo'n pijn, / maar het afgesneden zijn.'

Bijzonder is ook dat in haar poëzie nauwelijks een ontwikkeling valt aan te wijzen. Vasalis moet een natuurtalent zijn geweest. Zij debuteerde in augustus 1936 in het tijdschrift Groot Nederland met vijf gedichten, waaronder `De idioot in het bad', `Tijd' en `Drank, de onberekenbare': nog eens drie gedichten die aan het rijtje klassiekers kunnen worden toegevoegd. Haar tijdschriftdebuut trok meteen de aandacht. Vestdijk en Du Perron zagen er iets bijzonders in. Menno ter Braak kwam in zijn rubriek in Het Vaderland maar liefst drie keer terug op `de poëtische schok' die hij had ondergaan bij het lezen van deze dichter of dichteres, `een zekere M. Vasalis' van wie hij verder ook niets meer wist dan dat haar poëzie `iets definitief anders was dan het gemurmel der ontelbare epigonistische boekjes'.

Na nog enkele tijdschriftpublicaties en de novelle Onweer (in maart 1940) verscheen in december 1940 Vasalis' debuutbundel Parken en woestijnen. Die werd onmiddellijk en in brede kring besproken en lovend onthaald, wat in het toen nog danig verzuilde literaire klimaat uitzonderlijk was. Victor van Vriesland: `Parken en woestijnen behoort tot de mooiste poëzie (en de vernieuwendste, en de belangrijkste) die ik in jaren en jaren las. En ik las, helaas, vrijwel alles. Alleen al om deze bundel durf ik te zeggen dat Vasalis kan gerekend worden tot de zéér enkele groten die stellig, van de dichters der laatste decenniën, zullen blijven.' In juni 1941 werd de bundel bekroond met de Van der Hoogtprijs. In een jaar tijd verschenen van Parken en woestijnen tien drukken, met een gezamenlijke oplage van tienduizend exemplaren: een toen, en nu nog steeds, ongebruikelijk aantal voor een poëziedebuut.

Zo vormde zich al meteen het beeld van Vasalis dat daarna nauwelijks gewijzigd is: dat van een dichteres die boven de partijen stond, die poëzie schreef voor alle gezindten, onomstreden en gewaardeerd door collega's, critici en het grote publiek. Daarbij was zij ook nog eens met een prettig waas van geheimzinnigheid omgeven, want zij weerde alle op haar persoon gerichte belangstelling af. Zij groeide op in Den Haag, studeerde medicijnen en antropologie in Leiden, werkte als arts in Amsterdam (later als kinderpsychiater in Assen en Groningen) en haar ware naam was Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans: veel meer is er in de loop der jaren niet over haar bekend geworden.

Met haar tweede bundel, De vogel Phoenix (1947), en haar derde, Vergezichten en gezichten (1954) loste zij de belofte van haar debuut in. Ze vielen eenzelfde onthaal ten deel: ruime aandacht, de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Vergezichten en gezichten, herdrukken en lovende kritieken. Er vallen, zeker achteraf, gemakkelijk redenen aan te wijzen waarom Vasalis' poëzie in zo brede kring erkenning vond. Er moet herkenning aan vooraf zijn gegaan. Zij dichtte over grote thema's (geboorte en dood, leven en liefde, de natuur en de seizoenen) en over algemene gevoelens (angst, geluk, verwarring, ontreddering). Zij deed dat in gedichten die zich niet aan een voorgeschreven strakke vorm hielden, maar nog wel genoeg rijm, ritme en regelmaat hadden om traditioneel te kunnen worden genoemd. En in een stijl die, zeker voor de jaren veertig en vijftig, opmerkelijk natuurlijk en onopgesmukt was.

Daarmee is niet alles verklaard, want deze ingrediënten zijn bij wel meer dichters te vinden, en ook bij tijdgenoten, zoals de dichters van het zogenaamde romantisch-realisme van Criterium. Het bijzondere effect van haar poëzie schuilt denk ik in wat je haar natuurtalent zou kunnen noemen: een zekere ongeschooldheid en grilligheid, een verlangen naar ongekunsteldheid, een onafhankelijke instelling. Haar gedichten hebben iets overrompelends, met plotselinge overgangen naar gevoelens van wanhoop of geluk, verhevigde inzichten en mystieke ervaringen — met alle verwarring en schokkerigheid vandien. Het lijkt alsof Vasalis die tegenstellingen zelf ook nauwelijks in de hand had en steeds krampachtig moest zoeken naar een evenwicht, naar `een orde, waarin ruimte voor de chaos is', zoals het in `Herfst' heet. Een orde waarin `de vrijheid van een grote liefde' gevoeld kan worden, maar die tegelijk `plaats voor wanhoop laat en twijfel en gemis.' Het staat er allemaal erg expliciet, aan het eind van een gedicht waarin toch al tamelijk hevig (met woorden als stromen, woelen, wentelen, draaien, kou, angst, dood, geluk) `het tomeloze leven' wordt opgeroepen. Het is dichterlijk misschien niet eens zo sterk, maar sterk is wel de indruk, hier en elders, dat er voor haar in ieder gedicht iets op het spel stond, dat het vege lijf gered moest worden. Alleen de dichter die met zo'n hoge inzet hoogstpersoonlijk durft te zijn, kan gedichten schrijven waarin een groot publiek zijn eigen gevoelens kan herkennen.

Een dergelijke instelling bracht Vasalis in het begin van de jaren vijftig vanzelf in aanvaring met de nieuwe dichterlijke opvattingen van de Vijftigers. Rond die tijd viel er voor het eerst enige kritiek op haar werk te beluisteren. Paul Rodenko meende in 1950 dat zij met Hoornik en Den Brabander behoorde tot `een definitief afgesloten tijdperk'. Van Rudy Kousbroek was de eis, uit 1950, `dat er niet meer vaag in parken en woestijnen wordt gelopen' en van later datum dit oordeel: `Ik vind het damespoëzie, bien-pensant en onwaarachtig, berustend op de clichés die de weldenkende mensheid gebruikt om alles wat ellendig, schaamtevol, onoorbaar en wanordelijk is te ontkennen.' W.F. Hermans, in zijn Mandarijnen op zwavelzuur: `Het is damespoëzie, maar als het licht erover vlaagt, damespoëzie op zijn best.'

Zelf liet Vasalis zich in 1952, in een van de weinige artikelen die ze schreef, ook kritisch uit over haar jongere collega's, met uitzondering van Lucebert. Later zou ze daarop terugkomen: ,,Het irrationalisme, de regressie van een volwassen taal naar een uiterst vroege, bijna embryonale, kón en wilde ik niet au sérieux nemen, het leek me een moedwillige beeldenstorm. Het heeft me twee jaar gekost om in deze poëzie door te dringen en er de noodzaak van in te zien. (-) Niet alleen heb ik er persoonlijk veel aan te danken gehad, maar ik denk alle dichters nadien, ook als ze nu weer sonnetten schrijven.'

Vreemd genoeg publiceerde Vasalis na haar derde bundel in 1954 geen gedichten meer. Ook trok zij zich uit het literaire leven terug. Over het waarom van haar stilzwijgen is heel wat gespeculeerd. Het is vaak in verband gebracht met de opkomst van de nieuwe experimentele poëzie, maar zelf gaf ze later, in 1974, een andere verklaring: ,,Wat mij na de oorlog overkomen is, komt hierop neer: een enorme relativering van mijn eigen lot, mijn eigen geluk of ongeluk, mijn meningen, oordelen, mijn kennis en mijn commentaar. Een gevoel van futiliteit en onmacht om die schaalvergroting toe te passen. Het was alsof een schilder van miniaturen gevraagd wordt om muurschilderingen te maken in een publiek gebouw, liefst met sociale strekking. (-) Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifer bij de brand af te strijken.'

Het curieuze is dat de belangstelling voor haar werk sindsdien niet afnam. Ze bleef een veelgelezen dichteres, en haar stilzwijgen voorzag haar zelfs volgens Gerard Reve (in 1966) van `een waarlijk sprookjesachtig image: de stille, zwaarmoedige, bijna anonieme dichteres van de Drie Bundels in Een Kwart Eeuw, moeizaam bezig zielszieke mensen beter te maken.' De kwaliteit en het belang van haar werk bleef al die tijd vrijwel onomstreden. Bij verschillende jongere dichters kon de invloed van en de verwantschap met Vasalis worden aangewezen: bij Judith Herzberg, Elisabeth Eybers, Chr. J. van Geel, Jan Emmens en Rutger Kopland, later ook bij Herman de Coninck, Ed Leeflang, Eva Gerlach en Elly de Waard. En ook al publiceerde Vasalis dan niet meer, haar oeuvre werd wel met enige regelmaat bekroond: met de Culturele Prijs van de provincie Groningen (in 1963), de Constantijn Huygensprijs (in 1974) en de P.C. Hooftprijs (in 1983).

Bij die laatste prijs, toegekend dertig jaar na het verschijnen van haar laatste bundel, is wel gesproken van een eerherstel voor de traditionele poëzie. Daarmee werden opnieuw de verschillen tussen Vasalis en Vijftig benadrukt, en niet de overeenkomsten. Elly de Waard pleitte er bij die gelegenheid juist voor Vasalis nu eens te bezien als de verbindende schakel tussen traditie en modernisme. Maar een andere blik op dit oeuvre was ook mogelijk: Charlotte Mutsaers probeerde in 1989 in Raster aan te tonen dat Vasalis' poëzie een zuiver geval van kitsch was. Daar tegenover stond dan weer Maaike Meijer die in haar proefschrift De Lust tot Lezen (1988) juist probeerde Vasalis te zien in het tijdloze kader van de mystiek. Vasalis' poëzie wordt nog steeds gelezen, en het oordeel over haar werk ligt nog lang niet vast. Gerrit Komrij besloot in 1996, bij de tweede herziening van zijn poëziebloemlezing, zijn keuze uit het werk van Vasalis alsnog uit te breiden: van acht gedichten naar tien, het maximum.

AAN EEN BOOM IN HET VONDELPARK

Er is een boom geveld met lange groene lokken.

Hij zuchtte ruisend als een kind

terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.

Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,

met slepend haar en met de geur van jeugd

stromende uit zijn schone wonden,

het jonge hoofd nog ongeschonden,

de trotse romp nog onverslagen.

Uit: Vergezichten en gezichten (1954)