`Breek de piano doormidden, net als Beethoven'

Nadat hij het afgelopen weekeinde zelf op twee concerten had gespeeld geeft de Amerikaanse violist Isaac Stern samen met enkele collega's in het Amsterdamse Concertgebouw drie dagen lang workshops voor jonge musici. Hij is soms goedlachs, maar ook zeer streng.

“Het grootste wapen in de muziek, het allermooiste wat je kan doen

is simpel zijn. Zo simpel mogelijk,' zegt Isaac Stern. Voor de derde keer zet violiste Janine Jansen met pianist Folke Nauta dezelfde passage uit het Allegro van de Derde sonate van Brahms in. De maestro klapt af. “No no, no. Hier staat een decrescendo. En blijf doorvibreren, ook in het pianissimo, anders lekt de spanning weg. Je hebt genoeg tijd om zo weer solo te spelen. Op deze plek gaat het om de piano. Speel het niet alsof je een aria uit een dramatische opera zingt. In kamermuziek moet je je aanpassen.'

Nu laat Stern de violiste doorspelen, maar na een paar minuten verliest hij alweer zijn geduld. “Luister. Je speelt heel mooi. Maar je moet er aan denken dat je niet alleen voor jezelf speelt. Je speelt voor een publiek. Maak ruimte. Houd je viool omhoog, zodat het

geluid vrij op kan stijgen. Laat je stok het werk doen. Als je zo heen en weer staat te zwaaien, is er geen basis. Weet je wel waarom je zo beweegt? Omdat je voelt dat je niet helemaal kunt zeggen wat je wilt zeggen. Sta stil, en zeg meer!'

Vanaf het podium bekeken moeten Stern en zijn assistenten, de cellist David Finckel en pianist Robert McDonald, overkomen als de inquisitie. Niets ontsnapt aan Sterns aandacht. Met een onvoorstelbare energie voert hij strijd tegen nietszeggendheid en mooispelerij. Muziek is een serieuze zaak. Een taal waarin iedere noot ieder accent, elke nuance in klankkleur en dynamiek doordacht, doorvoeld

en verantwoord moet worden. Een taal die staat of valt met het juiste tempo. Waar de maestro talent herkent, begint hij te stralen, aan te moedigen, en enthousiast mee te deinen. Maar wanneer de jonge musici zich blijven verschuilen achter gepolijste keurigheid, prikt Stern zuchtend, fel en genadeloos door de facade heen.

“Ik begrijp echt niet waarom jullie dit stuk spelen. Overtuig ons ervan dat je een reden hebt om het zo te spelen. Het klinkt zo aardig, zo comfortabel,' roept hij boosaardig tegen het Escher Trio, dat in anderhalf uur tijd niet veel verder komt dan de eerste maten van Beethovens Pianotrio in G, op. 1 nr. 3. “Een sforzando bij Beethoven klinkt niet als aah, maar als wwwrraaahhhh. Breek de piano doormidden. Net als Beethoven toen hij een nieuwe pianoforte kreeg. Ta dam paaahhhhh! Die sforzandi zijn explosies.

Beethoven was niet zo lief.'

Cellist David Finckel ondersteunt Sterns missie met subtieler geschut. Hij speelt het minder op de persoon door met aardige voorbeelden te komen. “De spanning moet onderhuids voelbaar zijn. Maak de beweging dramatischer, laat de verrassing horen. Die overgang moet klinken alsof je plotseling een muis ziet. Beethoven was de duivel, die frase is vergif.'

Ook pianist David McDonald blijft vriendelijk en op afstand. “Probeer die nerveuze spanning vast te houden, ook bij rusten. Probeer de noten voor te zijn, laat het tempo

niet inzakken.'

De hardnekkigheid waarmee de studenten aan hun gewoontes blijven vasthouden, is soms verbijsterend. Dat rechtvaardigt Sterns bottenbrekerige methode. Maar juist die alles of niets benadering dat afwisselend keihard zijn en dan weer warm en goedlachs, maakt zijn workshop tot een adembenemende ervaring. Stern wil wakker schudden motiveren en inspireren. Muziek en onverschilligheid, dat gaat nu eenmaal niet samen. Voor Stern is muziek een heilige taal, die totale concentratie, overgave en bezetenheid vergt. Maar het is ook een mensentaal, een taal van intense gevoelens en pure emoties. “Vindt u mij te streng?' vraagt de 78-jarige meesterviolist na afloop aan een toehoorder uit de zaal. “Weet u, ik kan niet anders. Er is maar

zo weinig tijd. En ik wil ze echt iets bijbrengen.'