Wagemans' Zevende: woedend razen

“Muziek navertellen lukt net zomin als het naschilderen van de zon' meende Oscar Wilde. Peter-Jan Wagemans (1952) echter maakt het de beschrijver in zoverre gemakkelijk, door voor zijn Zevende symfonie uit te gaan van het licht, een buitenmuzikaal gegeven. De titels van de delen twee en drie, die hun tumultueuze premiere beleefden bij het Residentie Orkest, zijn veelzeggend: `Strijd tussen het zwarte licht en het heldere duister' en `Meer licht!'

Dat laatste is de verzuchting van Goethe op zijn sterfbed.

Reeds als twintigjarige componeerde Wagemans soortgelijke uitgangspunten in zijn Symphony Opus 3. Het eerste deel schildert een op hol geslagen menigte en het tweede deel is mystiek geladen. Ook de `Strijd tussen het zwarte licht en het heldere duister' is muziek als van een niet te stuiten woedende menigte, een wagneriaans pandemonium, een corybantische orgie, raspend, schurend, pompend. De hoorns trillen van pure energie als de motor van een oude raderboot, stormwinden woeden in plotsklaps opkomende golfbewegingen en boven dit alles hangt een saus van klokkenspelen en vibrafoons als kledderig reptielslijm.

Vooral angstaanjagend zijn de grauw grommende lage blazers bullebakken waarvan alleen al het aanzicht afschrikwekkend is. Het zijn van die instrumenten waarmee je, als er iets mee is, beter naar een dierenarts kunt gaan dan naar een instrumentenmaker. Wagemans is er dol op: trombones en tuba's in allerlei soorten zoals de spectaculaire contrabas- en Wagnertuba. En ook dat is niet iets van de laatste jaren. In de Symphony uit 1972 prijkt een duet tussen baritonsax en bastuba, hier zijn het in het Goethe-deel twee achter het orkest opgestelde bugels die duetterend een belangrijk aandeel nemen.

Het monomaan voortdenderende ritme verwijst naar dat uit Beethovens Zevende symfonie, ook daar wordt een paradoxale priemende pressie uitgeoefend, in wezen statisch van aard, circulair in zichzelf besloten, als een stationair razen. Het Goethe-deel herinnert aan Charles Ives-orkeststukken, collage-achtig onvoorspelbaar, het overwegend brutale e marcato van het eerste deel is nu ingeruild voor een grillig andante. Poetische inkleuringen geven het tinkelend slagwerk, de harp en een steeldrum.

Een kwetsbare altfluitsolo vlakt de agressie verder uit maar je blijft op je hoede, elk moment kan er weer zo'n rauwe mars losbarsten.

Voor Wagemans' fantasie heb ik de grootste bewondering. Als geen ander durft hij risico's te nemen. Maar het slot voor de etherische violen komt niet over. Het Residentie Orkest wenste zich onder de bezielende leiding van Jurjen Hempel niet te sparen, het stortte zich op Wagemans' muziek, waar nodig in een duizelingwekkend tempo. De laatste 38 maten echter waren te veel gevraagd, nuanceringen voor zoveel strijkers unisono in de hoogste ligging lijken mij utopistisch. Het is dan al heel wat als het zonder te veel bijgeluid enigszins gelijk klinkt.