Republiek komt niet vanzelf

De discussie over de vraag: monarchie of republiek, die het Republikeins Genootschap weer nieuw leven probeert in te blazen, is - dat ben ik met Martin van Amerongen eens - geen paskwil, maar een initiatief dat serieus genomen moet worden.

In de media werd dat een jaar geleden nog niet onderkend, maar des te meer door premier Kok. De eerste minister van het tweede paarse kabinet deed het genootschap de eer aan zich over het republikeinse manifest op te winden en getergd te reageren alsof hij persoonlijk werd aangevallen. Dat was een wat overtrokken reactie op een ordentelijk staatkundig streven, dat in zijn eigen partij historisch geworteld is, maar het maakte treffend duidelijk dat de republikeinse gedachte een staatkundige nuisance value heeft die het politieke bestel gauw op de zenuwen werkt. De initiatiefnemers - in 1996 bijeengebracht door Van Amerongen en de net gepensioneerde hoogste baas van het Elsevier-concern, dr. Pierre Vinken - hadden bij de minister-president in elk geval een gevoelige snaar geraakt. Uit regelmatige berichten over een gestaag groeiende ledenlijst vermenigvuldigen zich de aanwijzingen dat deze nachtmerrie van premier Kok ook buiten de kring van de Tafel van Van Amerongen aanslaat, zo niet onder duizenden, dan toch onder honderden.

Het boekje met staatkundige propaganda dat het Genootschap zojuist heeft gepubliceerd (De Republiek der Nederlanden; uitg. De Bezige Bij 203 blz.) bevat opstellen die getuigen van de ware zendingsijver en een passie die men in politieke partijen nog maar zelden tegenkomt, maar als Kok het leest zal hij er geen slapeloze nachten van krijgen. Harde argumenten voor de afschaffing van de monarchie bevat het niet. En op harde constitutionele argumenten komt het aan. De constitutionele monarchie is een schepping van de grondwet, die alleen door de grondwetgever kan worden beeindigd. Verandering van staatsvorm komt - in normale tijden - langs constitutionele weg tot stand. Om het de veranderaars zo moeilijk mogelijk te maken en lichtzinnigheid zo goed als onmogelijk heeft de grondwetgever die weg bezaaid met voetangels en klemmen. De grondwet heeft die beslissing niet aan de gewone wetgever toevertrouwd, maar aan de grondwetgever en aan haar goedkeuring de verzwaarde eis van een tweederde meerderheid verbonden (de numerieke eis die ook de Amerikaanse grondwet aan het afzetten van de president stelt). Terwille van de discussie ga ik er van uit dat de opheffing van het koningschap door een parlementair initiatief aanhangig zal worden gemaakt. Van de regering zie ik daartoe geen voorstel uitgaan. De schrijver van een toneelstuk kan een minister-president met revolutionair elan bezielen en hem de volgende plechtige, radicale woorden in de mond leggen: “Majesteit, het volk is de staatsvorm moe en is op Uw koningschap uitgekeken. Aangezien wij ons niet tegen de volkswil kunnen verzetten omdat wij daaraan ons bestaan ontlenen, moeten wij ons bij de wens van het volk aansluiten. Binnen afzienbare tijd zal de republiek haar intrede doen om de plaats van de monarchie in te nemen.

Hoe hard het ons ook valt, onze wegen zullen hier moeten scheiden, naar wij vrezen voorgoed.' Maar een regering van vlees en bloed zal voor die rol passen en niet zelf het initiatief daarvoor nemen.

De schrijvers van de Republiek der Nederlanden willen zich van de monarchie ontdoen op grond van bezwaren die zij ontlenen aan de beginselen van democratie: gelijkheid doorzichtigheid en verantwoordelijkheid. De Nederlandse staatsvorm van de constitutionele monarchie met een parlementaire democratie kenmerkt zich volgens de auteurs daarentegen door ongelijkheid ondoorzichtigheid en een gebrek aan verantwoordelijkheid. Dat geldt naar hun mening in het bijzonder voor de ministers, die verantwoordelijk zijn voor het regeringsbeleid, maar het afzonderlijke aandeel van de koning(in) in dat beleid krachtens de onschendbaarheidsregel niet in het openbaar ter sprake mogen brengen.

Dat bezwaar mag op zichzelf juist zijn, het is niet zwaar genoeg om de monarchie van haar plaats te krijgen. Het is niet genoeg om aan te komen met de aanklacht dat het bestaande regeringssysteem de democratie tekortdoet, omdat een deel van dat systeem zelfs al is dat de kern van het systeem, zich aan publieke controle onttrekt. De tegenstanders van de monarchie zullen met sterkere argumenten voor de dag moeten komen om aan te tonen dat de democratie overlast ondervindt van het monarchale deel van de democratie, en wel zoveel, dat het verantwoordelijke deel van de regering (de ministers) zijn werk niet naar behoren kan doen.

Hans van den Bergh, emeritus hoogleraar in de cultuurwetenschappen en een van de woordvoerders van het Republikeins Genootschap, levert dat bewijs van overlast in zijn hoofdinleiding niet.

Hij fulmineert tegen het geheim van Huis ten Bosch (`de zwarte doos in het hart van de regering'), maar bedient zich van cliche's die de tegenpartij nooit in verlegenheid zullen brengen. Het genootschap zal zich een zwaardere wapenrusting moeten aanschaffen en met zwaardere getuigen a charge moeten aantreden. Om aan te tonen dat de monarchie de democratie in de weg zit, is het concrete bewijs nodig dat het koningschap een onevenredig beslag op de tijd van de ministers legt; dat het de ministers voor de voeten loopt; beslissingen van de ministers vertraagt dan wel tegenhoudt; of zich anderszins inconstitutioneel gedraagt. Naar mijn mening heeft het genootschap professionele hulp nodig. Met amateuristische middelen en vertogen komt het er niet. Het moet de ervaring aftappen van oud-ministers die de monarchie van dichtbij aan het werk hebben gezien en weten waarover zij praten. Het genootschap telt een prominente oud-minister onder zijn oprichters, de vroegere minister van Financien Roelof Nelissen. Uitgerekend hij is de enige republikein van het gezelschap die in het openbaar nog nooit zijn mond over de republiek heeft opengedaan.