Psychologisch drama O'Neill fris gespeeld

Rouw past Elektra uit 1931 lijkt op Aischylos' Oresteia. Alleen verving auteur Eugene O'Neill het geslacht der Atriden door de familie Mannon Griekenland door New England en de slag om Troje door de Amerikaanse Burgeroorlog. Aan het eind van die oorlog, in 1865, gaat bij de Mannons alles mis.

De heer des huizes keert heelhuids terug van het front en wordt direct vermoord. Door zijn overspelige vrouw en haar minnaar. En zij worden op hun beurt vlotjes uit de weg geruimd: door moeders zoon en dochter. Agamemnon en Klytaemnestra, Aigistos, Orestes en Elektra: O'Neill laat hen niet aan de tragedie ontsnappen.

Geen goddelijke moraal, zoals bij Aischylos, houdt hen gevangen, maar een menselijke die daardoor des te inhumaner is. De Mannons willen het leven zuiveren van het kwaad en zuiveren het van het leven. Neem nou Lavinia, de dochter. Zie hoe boos, in Agaath Wittemans enscenering, die puriteinse maagd tegen de zoom van haar rok schopt: ze is nog jong, heel jong, en ze haat de liefde. Liefde is zondig en volkomen in strijd met de plicht. Het is haar plicht, vindt Lavinia, om haar zondige moeder te straffen. Tegelijkertijd ervaart ze bij dat straffen een zeldzame wellust. Die kan immers nergens anders naartoe. Haar passie voor de minnaar van haar moeder mag niet, temeer daar Adam Brant een bastaard is de vrucht van wilde liefde. Lavinia's strijd tegen de wildheid in haarzelf uit zich in mateloze jaloezie: op haar moeder en de bastaard-minnaar; op haar moeder en haar vader (voor het korte moment dat hij thuis is); op haar moeder en haar broertje Orin, die aan de oorlog een verhevigd Oidipuscomplex heeft overgehouden.

O'Neill en Witteman leggen elementaire driften bloot - en waar de eerste het preutse Amerika choqueerde, herinnert de tweede ons aan een verleden dat niet voorbij is. Een vrouw die vreemdgaat heet nog steeds een hoer en dat geeft de liefde een vieze bijsmaak. En Freud heeft ons niet bevrijd, want zijn leer van de seksuele band tussen ouders en kinderen zorgde na het christendom voor een nieuwe lading schuldgevoelens.

Theatermakers kijken dikwijls neer op psychologisch drama, maar de kern van drama is altijd psychologisch, gaat altijd over liefde en haat en nijd beginnend bij de heilige drie-eenheid vader, moeder, kind. Agaath Witteman maakt onverbloemd psychologisch toneel en waar zij bij haar Lars-Noren-regies nog wel eens in de valkuil van het psychoanalytisch dogma en schematisme trapte, houdt haar interpretatie nu een mooie meerduidigheid.

Wat iets anders is dan onduidelijkheid.

Zo scherp mogelijk zijn de gecompliceerde personages getekend: voor het contact met het publiek helpt het dat de acteurs en actrices vaak op de voorste richel van het voortoneel staan en met een frisheid spelen die grenst aan spontaniteit. Vooral Marie-Louise Stheins wekt de illusie dat ze alles daar op het podium voor het eerst beleeft, dat elk gevecht nieuw is en uitdagend. En niet helemaal controleerbaar, want de klappen die Lavinia uitdeelt komen regelmatig op de verkeerde plaats terecht, in de lucht bijvoorbeeld.

Dat Stheins intussen donders goed weet wat ze aan het doen is blijkt uit de verandering die ze Lavinia laat ondergaan: van een hoekig meisje transformeert ze in een vloeiend bewegende vrouw die zich de zinnelijkheid en al het andere heeft eigengemaakt dat ze aan haar moeder haatte. Die moeder is vals, kil en moedig: een prachtige rol van Josee Ruiter. Samen met Carol van Herwijnen als de stroeve vader en Vincent Croiset als de verwarde zoon is dit een uitgelezen cast. Jammer alleen dat vormgeefster Mirjam Grote Gansey tegenover de originele kostuums (witte wijde hoepelrokken voor de vrouwen en bretels voor iedereen) zo'n clichematig decor neerzette: een trap met aan de voet daarvan een geul vol waswater als opzichtig symbool van vergeefse reiniging.