Politieke wil kan eind maken aan straffeloosheid

Ferdinand Marcos, Idi Amin, Mobutu, Pol Pot - allen zijn zij de dans ontsprongen voor de wandaden die onder hun bewind zijn gepleegd. Luidt de actie van de Spaanse justitie tegen de Chileense ex-dictator Pinochet een ommekeer in?

De juridische actie van Spanje tegen Pinochet ontwikkelt een eigen dynamiek. Aanvankelijk kwam Spanje alleen op voor zijn eigen in Chili omgebrachte staatsburgers. Nu is het justitiele onderzoek uitgebreid tot inheemse slachtoffers van het generaalsbewind en genocide. Dat verschil is van belang. Genocide is een universeel delict en dat geeft een nieuwe dimensie aan de Spaanse actie.

Het vertrekpunt voor de Spaanse justitie was het zogeheten passief nationaliteitsbeginsel in het internationale strafrecht. Dit betekent dat Spanje zijn onderdanen ook in het buitenland beschermt. Er is ook een actief nationaliteitsbeginsel, waarbij het eigen strafrecht op de eigen onderdanen in den vreemde wordt toegepast. Dit laatste is volkenrechtelijk geen probleem, maar de passieve variant is dat wel: het komt er immers op neer dat vreemdelingen (in dit geval Chilenen) worden onderworpen aan (Spaanse) wetten die zij niet kennen.

De Nederlandse wetgeving kent wel enkele voorbeelden, maar dan gaat het toch vooral om belangen van de staat. Grensoverschrijdende strafbepalingen die zijn gericht op bescherming van de belangen van individuele burgers komen nauwelijks voor, noteert de strafrechtgeleerde J.Remmelink in zijn handboek. “Wij vertrouwen erop dat de buitenlandse staat wel zal ingrijpen.'

Het probleem met Pinochet cum suis is nu juist dat de buitenlandse staat dat nalaat: in Chili is besloten de misdaden onder het bewind van Pinochet niet te berechten. Punto final heet dat in Latijns Amerika, in Polen spreekt men wel van gruba linia (dikke streep). De belofte van een amnestie kan nodig zijn om de militairen te bewegen terug naar de kazerne te gaan. Chili heeft de amnestie duidelijk vastgelegd.

Maar dat betekent nog niet dat andere staten zich daaraan gebonden hoeven te achten. Typerend voor grove en stelselmatige schendingen van de rechten van de mens is dat deze niet kunnen worden afgedaan als een puur binnenlandse aangelegenheid.

De strafrechtelijke vertaling van dit besef is het `universaliteitsbeginsel': de bevoegdheid van nationale strafrechters om ernstige misdrijven te berechten waar en door wie ook begaan. De nationale wet moet daar dan natuurlijk wel een voorziening voor bevatten. Veel staten - waaronder de Verenigde Staten - hebben deze niet signaleerde Thomas Friedman in de International Herald Tribune van 1 februari 1996. Hij vond deze lacune niet verenigbaar met de status van de VS als `wereldleider'.

In Nederland is de juridische basis geen probleem na de uitspraak van de Hoge Raad, vorig jaar november, in een proefproces met betrekking tot Dasko K., een naar Nederland uitgeweken Bosnische Servier die wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden. Mogelijke twijfels of de Wet Oorlogsmisdrijven van 1951 voldoende basis voor berechting vormt, is door deze beslissing weggenomen. Sterker nog, betoogt Richard van Elst van de Erasmusuniversiteit in het Juristenblad van 2 oktober: de Hoge Raad maakt strafvervolging in Nederland mogelijk voor alle oorlogsmisdrijven, terwijl wij internationaal slechts verplicht zijn een rechtsgang te creeren voor de ernstigste inbreuken.

De Nederlandse wet kan volgens Van Elst “worden gebruikt om een in theorie onafzienbaar grote groep (buitenlandse) oorlogsmisdadigers hier te berechten'. Niet alleen in het geval van een regelrechte oorlog, maar ook bij interne conflicten. Behalve Nederland hebben alleen Belgie en Zwitserland zo'n vergaande wetgeving en wellicht ook Finland en Zweden.

Ondanks zijn nieuwe ethische richting in de buitenlandse betrekkingen heeft de Britse Labourregering tot dusver geweigerd eigenstandig universele rechtsmacht te vestigen over misdrijven die zo nauw te maken hebben met de interne aangelegenheden van andere landen.

Een argument tegen deze terughoudendheid wordt geleverd door het VN-tribunaal voor het voormalige Joegoslavie in de zaak-Tadic: “Historisch gezien worden de wetten en gebruiken van de oorlog niet beperkt door de aard van het conflict dat zij reguleren.' Het tribunaal herinnert aan de zogeheten Lieber Code, die wijd en zijd wordt erkend als een van de eerste pogingen om de wetten van de landoorlog te codificeren. Deze code werd opgesteld tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en niet met het oog op een internationaal conflict. Het tribunaal betwijfelt zelfs of het internationale recht voor een veroordeling wegens misdrijven tegen de menselijkheid wel de aanwezigheid van enig conflict vereist. Ze kunnen ook los van formele strijd worden begaan.

Beslissend is natuurlijk vooral de politieke wil binnen de internationale gemeenschap om een eind te maken aan impunity (straffeloosheid). Uitleveringsprocedures bieden van oudsher de nodige speelruimte, zowel voor Spanje als Groot-Brittannie. Een hoge status geeft voormalige leiders als Pinochet in elk geval niet automatisch soelaas, zo bleek uit het Utrechtse afscheidscollege als hoogleraar strafrecht van de Amsterdamse rechter A.H.J. Swart over de lessen van Neurenberg: “De dader kan zich niet verschuilen achter staatsrechtelijke of volkenrechtelijke immuniteit.'

`Wij vertrouwen er op dat een buitenlandse staat zal ingrijpen'