Noodvoorraad olie kan probleemloos kleiner

Nederland hamstert te veel olie. De voorraden die bedoeld zijn om een oliecrisis op te vangen kunnen omlaag, vindt de Algemene Energieraad. Ook zou het bedrijfsleven een groter deel van het risico moeten dragen. De consument zal het overigens weinig voordeel opleveren.

Nederland was de laatste jaren koploper van de Westerse industrielanden wat de aangehouden noodvoorraad ruwe olie betreft. Tussen 1996 en nu schommelde de voorraad, bedoeld om de gevolgen van een eventuele oliecrisis op te vangen, rond de 130 dagen netto-import. Een oorlog in het Midden-Oosten van ruim vier maanden zou Nederland dus kunnen doorstaan zonder ernstige gevolgen voor de industrie, die zeer gevoelig is voor een olieprijsstijging.

Ook overheidsvoorzieningen (defensie brandweer, politie, openbaar vervoer en dergelijke) draaien in zo'n periode gewoon door op de ruime hamstervoorraad die in gigantische tanks in het Europoort-gebied ligt opgeslagen. Uit het advies van de Algemene Energieraad met enkele bijbehorende rapporten, dat dezer dagen is gepubliceerd, blijkt dat Nederland op 1 januari jongstleden zelfs een uitschieter in de voorraad had van 193 dagen import. Dat komt vooral door de extreem lage olieprijs en het feit dat Nederland over riante opslagfaciliteiten beschikt.

De Algemene Energieraad vindt dat het wel wat minder kan met de noodvoorraden. Nederland blijkt de internationale afspraken op dit punt erg ruimhartig na te leven. Die afspraken zijn gemaakt met het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs, waarvan alle Westerse industrielanden en Japan lid zijn. Strikt genomen hoeft Nederland slechts een voorraad van 115 dagen netto-export aan te houden. Als gebruik wordt gemaakt van een effectief crisis-draaiboek, is dat slechts 90 dagen.

Direct na de oliecrisis van 1973, toen een boycot van de Arabische olielanden in het bijzonder Nederland en de Verenigde Staten trof, nam de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger het initiatief tot oprichting van het IEA.

Er moest een Westerse tegenhanger van het oliekartel Opec (Organisatie van olie-exporterende landen) komen, die in crisistijden de beschikbare olie eerlijk zou verdelen. In Parijs werd een crisisbeleid ontwikkeld: elk land dat sterk afhankelijk is van olie-import legde een noodvoorraad aan en zorgde voor een draaiboek om de vraag naar brandstoffen tijdelijk te verlagen.

Eind vorig jaar vroeg de Nederlandse minister van Economische Zaken de Algemene Energieraad (AER) dit beleid te herijken, omdat de aard van mogelijke oliecrises intussen is veranderd en de internationale economie door intensievere marktwerking sterker is verweven. Overigens heeft die marktwerking er steeds voor gezorgd dat Nederland tijdens de vier crises die zich de afgelopen dertig jaar voordeden nooit een druppel olie tekortkwam.

Toch ligt in de adviesaanvraag van Economische Zaken een waarschuwing besloten. In de komende periode zullen de Arabische landen een sterkere positie innemen op de internationale oliemarkt, omdat de productie in niet-Opeclanden zal dalen terwijl de wereldvraag blijft stijgen. Daardoor neemt de afhankelijkheid van olie-import in West-Europa tegen het jaar 2010 toe tot 65 procent. Die import zal geleidelijkaan minder uit het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen (Noordzee) komen, en meer uit de Golfregio en Oost-Europa.

Vervanging van olie door duurzame energie (zon wind, waterkracht, biomassa) biedt pas op langere termijn een oplossing. Als het plan van de nieuwe Bondsregering om de Duitse kerncentrales op termijn te sluiten doorgang vindt, neemt bovendien de betekenis van die energiebron in de Europese Unie af. Ook Zweden sluit kerncentrales. En verder maken alle overige EU-landen, met uitzondering van Frankrijk, nog steeds pas op de plaats met kernenergie als reactie op de ramp van 1986 in Tsjernobyl.

Aardgas zal een steeds sterkere positie innemen als vervangende, relatief schone brandstof voor elektriciteitsopwekking. De sterk stijgende vraag naar gas zal, ondanks de zegeningen van liberalisatie en marktwerking, de prijzen voor elektriciteit het komende decennium wel doen stijgen. Het aardgas dient immers uit veel verder gelegen landen, zoals Rusland, Turkmenistan, Algerije Iran, te worden aangevoerd.

Een wat lagere noodvoorraad olie in Nederland - tot 90 dagen netto-import, zoals de AER aanbeveelt - lijkt verantwoord omdat de olielanden geen enkel economisch belang hebben bij een vermindering van de aanvoer. Integendeel, ze willen allemaal hun export op peil houden of verhogen om de eigen inkomsten te beschermen.

De crisisvoorraad olie kost Nederland momenteel zo'n 150 miljoen gulden per jaar. Het primaire effect van een onderbreking in de olie-aanvoer gedurende een half jaar zou het bruto nationaal product van Nederland met 0,06 procent omlaaghalen, zo becijfert de AER. In het onwaarschijnlijke geval dat de crisis een jaar voortduurt, is het effect dubbel zo groot. Worden de reacties van prijzen en markten meegerekend, dan kan het BNP met 0,5 procent dalen, vooral omdat de export afneemt.

De AER adviseert ook de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor de noodvoorraden (nu 15 procent) te vergroten en de rol van de overheid op dit punt terug te dringen. Marktwerking kan, zoals in 1973 is gebleken toen Shell ervoor zorgde dat de olieaanvoer op peil bleef, een buffer vormen voor aanvoerverstoringen. Zo'n omschakeling zal de consument op zichzelf nauwelijks voordeel opleveren. Weliswaar kan de Heffing Voorraadvorming op brandstoffen dan omlaag, maar oliemaatschappijen en handelaren zullen hun extra kosten voor opslag weer in de prijzen doorberekenen.

De particuliere automobilist zal dat in crisistijden het meest merken, maar de overheid vermijdt een ingewikkelde en fraudegevoelige benzinedistributie. Voor uitbreiding van het crisisbeleid met extra voorraadvorming om een prijscrisis in de hand te houden voelt de AER niets.