`Jefta' is een mooi, maar moeilijk te volgen stuk

Er is iets vreemds aan de bewerking, de herschrijving nee, de herschepping van Vondels Jephta of Offerbelofte (1659) door dichter en (toneel-)schrijver Benno Barnard. Zijn Jefta of Semitische Liefdes beoogt een modernisering te zijn, maar de geloofwaardigheid van de tragedie is er door van de regen in de drup beland.

In de gebruikelijke oudtestamentische versie belooft krijgsheer Jefta God in ruil voor een overwinning op de Ammonieten het eerste wat hem bij terugkeer uit zijn huis tegemoet komt, als brandoffer aan God te brengen. Zijn enig kind zijn dochter Ifis, verwelkomt hem als eerste.

Jefta's belofte, die juist door de bijna absurde gruwelijkheid een metafoor wordt voor bijvoorbeeld grootspraak, wordt door Barnard veranderd in een profanere, reelere en `moderne' variant. Jefta belooft zijn krijgsraadsman Tariq in ruil voor diens doorslaggevende adviezen het eerste meisje dat hen tegemoet zal komen: de mooie Ifis is ook in deze versie de klos.

Maar is de tragedie daarmee “geloofwaardiger' geworden? Ik betwijfel het. Als we dan toch twintigste-eeuws gaan doen dan gehoorzaamt Ifis toch gewoon niet? Of trouwt ze en laat ze zich, als het huwelijk haar niet bevalt, scheiden? Ik bedoel: iedere nieuwe oplossing brengt weer eigen problemen met zich mee. Waarom kan het verhaal niet intact gelaten worden? De Griekse tragedies met al hun goden en noodlotten hoeven toch ook niet herschreven te worden? Het misverstand is dat het verhaal “geloofwaardig' moet zijn. Het gaat niet om geloofwaardigheid op toneel, het gaat om betekenissen.

Intussen schreef Barnard een mooi stuk, vol geestige wendingen omkeringen terzijdes en woordspelingen en goed gekozen woorden. Maar het heeft veel van een gedicht, het laat zich niet gemakkelijk doorgronden. Die kwaliteit - want dat is het - is een nadeel in het theater: gesproken door vaart en spel begeleid, gaat veel, te veel verloren. Het wie, wat hoe en waarom zijn goeddeels onduidelijk.

Van sfeer moet dit stuk het hebben, niet van Racine-achtige precisie. En sfeer brengt regisseur Hans Croiset bij Het Toneel Speelt zeker aan. Zijn overwegend zandkleurige voorstelling komt, na een moeizame start, behoorlijk op gang met zijn eigen entree in de rol van Jefta. Lekker acteren, dat doet-ie, Croiset. Autoritair door vertoon van dommigheid.

Het wordt er nog beter op met de opkomst van oud-cabaretier Sieto Hoving in de rol van de rabbijn die met haarkloverijen het huwelijk poogt uit te stellen. Hoving is leuk en wel op de juiste, ingetogen en waardige manier.

Maar aan het eind, als het ernst wordt en er gezelfmoord moet gaan worden, wreekt zich de komedianterige aardigheid van stuk en enscenering. Schrijver en regisseur kunnen wel doen alsof ze geen tragedie schreven en regisseerden, maar Ifis berooft zich wel van het leven. En nogal onverwachts. Ifis lacht, Ifis huilt. Barnard voorziet de reuzenzwaaien en het leed van zijn personages van te weinig woorden, zoals ook de liefde tussen de hofmeester en Ifis eerst onduidelijk gesuggereerd wordt, dan een rolletje lijkt te gaan spelen en uiteindelijk geen klap voorstelt. Toch maar niet zegt ze: “Jij die mij opeist'. Einde verklaring, een gestileerd schot zonder geluid en de overigens mooi spelende Alice Reys stort neer. Einde komedie, eh tragedie.