Het probleem van het nieuwe Europa

Frankrijk, mei 1981 - Duitsland, september 1998: oppervlakkig bezien lijken deze tijdstippen op elkaar. In Frankrijk kwam links na 23 jaar weer aan de macht, in Duitsland na zestien jaar. Maar daarmee houdt de overeenkomst op, want de tegenstelling tussen deze twee politieke keerpunten had niet groter kunnen zijn.

Ik heb beide gebeurtenissen van nabij meegemaakt. Francois Mitterrands overwinning in 1981 staat me nog levendig voor de geest: de combinatie van enthousiasme en vrees, de tegenstelling tussen wat ik op mijn televisie zag en wat ik hoorde buiten mijn raam in wat gold als een `chique buurt'. Terwijl le peuple jubelde op de Place de la Bastille hoorde je in de angstig gespannen stilte al bijna de bourgeois zijn goud inladen om het naar Zwitserland te sturen. De verslagen president, Giscard d'Estaing, erkende zijn nederlaag met de verbittering van een jonge monarch die bij zijn volk uit de gratie is geraakt. De toenmalige regeringsdeelname van de nog overwegend stalinistische communisten - in de context van een hernieuwde Koude Oorlog gezien de oorlog in Afghanistan en de Euro-rakettenkwestie - stond natuurlijk in sterk contrast met het Duitsland van nu.

Toen, de ochtend nadat Helmut Kohl waardig en met democratische elegance zijn nederlaag had erkend, droeg ik onbewust mijn ervaringen van mei 1981 in Frankrijk met me mee. In het hart van conservatief-katholiek Duitsland verwachtte ik bezorgde om niet te zeggen dramatische gezichten te zien. Maar tot mijn grote verbazing trof ik een mengeling van berusting en gelijkmoedigheid aan, alsof ondanks alle spanning tot het laatste ogenblik nu dan toch eindelijk de onvermijdelijke en na zestien jaar haast terechte nederlaag van de `eeuwige' kanselier had plaatsgevonden. De Oktoberfeesten konden gewoon doorgaan alsof de uitslag van landelijke verkiezingen in een echt federaal Duitsland minder centraal stonden en Stoiber in Beieren meer dan ooit aan de macht was.

Aan de Franse kant van de Rijn werd de Duitse verkiezingsuitslag ook met gelijkmoedigheid begroet, een gelijkmoedigheid die veel verder strekt dan de huidige politieke optelsom van de meerderheid onder leiding van de socialisten, die met voldoening de gestage verbreiding van centrum-linkse meerderheden over het Europese vasteland gadeslaat.

Vanuit Frankrijk gezien zijn de belangrijkste veranderingen in Duitsland niet van politieke of ideologische aard. Ze houden zelfs geen verband met de uitslagen van de Duitse verkiezingen, maar met veel diepergaande demografische, geografische en historische verschuivingen. Nu de `kleinkinderen' van hen die, om met Helmut Kohl te spreken de `genade der late geboorte' missen, de volwassenheid bereiken, zal dat voor Duitsland hoe dan ook een keerpunt betekenen. Niet dat de nieuwe generatie zich minder voor Duitslands nazi-verleden zal interesseren. Het succes van Daniel Goldhagens emotionele verhandeling Hitlers gewillige beulen bewijst wel dat de Duitsers hun belangstelling voor de zwartste bladzijden van hun geschiedenis niet hebben verloren. Het nieuwe Duitsland zal zich echter een identiteit willen aanmeten die zich onttrekt aan de gehomogeniseerde Angelsaksische wereldvisie. Het zal zich niet de zelf-frustrerende les van het barbaarse verleden blijven voorhouden hetgeen nu zo handig wordt uitgebuit door anderen, in het bijzonder de Fransen. De twaalf jaren van Hitler wegen al haast niet meer op tegen Duitslands rijke historische en culturele erfgoed en ook een zekere terechte trots. Om Brigitte Sauzay, de Franse adviseur in dienst van de toekomstige kanselier Gerhard Schroder, te citeren: de Duitsers moeten weer leren houden van het Duitser-zijn, en wij Fransen moeten hen daarin aanmoedigen.

Nu Frankrijk en Duitsland een nieuwe dialoog aangaan binnen het politieke en psychologische kader van de Europese muntunie zullen ze hun toekomst moeten gaan zien vanuit een veel dieper historisch perspectief. Want beide landen zijn elkaar opgevolgd als `het probleem van Europa': van het midden van de 17de eeuw tot 1815 was het Frankrijk en vanaf 1871 tot 1945 was het Duitsland.

Een niveau dieper heeft elk van beide landen op een bepaald ogenblik in zijn geschiedenis een universeel ijkpunt belichaamd. De Franse Revolutie belichaamt nog altijd het stramien van de Geschiedenis met een grote G terwijl de Holocaust in metafysische zin de grenzen van de menselijke natuur markeert. Tussen de gevaren van het extreme idealisme en de grimmigste realiteit van de barbarij zijn beide naties, beide landen, de ideale aangewezene om samen met andere landen bij te dragen tot de vorming van een nieuw Europa op basis van een gelijkmoediger evenwichtiger kijk op elkaar.

Frankrijk en Duitsland zullen daarnaast hun gevoelens ten aanzien van hun verstandshuwelijk moeten herzien, omdat de toekomst van Europa nu minder sterk afhangt van hun onderlinge relatie. Een derde land Groot-Brittannie, staat namelijk op het punt zijn identiteit eveneens opnieuw te bepalen in Europees verband. En Frankrijk en Duitsland kunnen de invloed van het diepgewortelde Britse democratische besef op hun lange en beladen geschiedenis alleen maar verwelkomen.