Het ongelijk van de Nieuwe Bouwers; Expositie in Brussel geeft compleet beeld van werk architect Joze Plecnik

De vraag hoe democratische architectuur eruit ziet heeft vele antwoorden. In Londen en in Boedapest werden de parlementsgebouwen bijvoorbeeld neogotisch, maar in Parijs juist neo-classicistisch.

Pas na de Tweede Wereldoorlog werden de antwoorden op de vraag wat eenduidiger: architectuur voor de democratie kon in ieder geval niet meer classicistisch zijn, vonden vrijwel alle naoorlogse architecten. Zuilen en tympanen waren besmet geraakt door Hitler en zijn hofarchitect Albert Speer, die een kale variant van het classicisme hadden bevorderd tot de staatsarchitectuur van het Derde Rijk.

Ook de Sloveense architect Joze Plecnik (1872-1957) moest de vraag naar de stijl van democratische architectuur beantwoorden. In 1922 vroeg de eerste president van de toen nog jonge republiek Tsjechoslowakije Tomas Masaryk, hem architect van de Praagse Burcht te worden. Vier jaar eerder was de zwaar verwaarloosde burcht het hart van de Tsjechoslowaakse democratie geworden en Plecnik kreeg de opdracht om zalen pleinen en tuinen van de oude burcht te vernieuwen. In Plecniks tijd waren zuilen nog niet besmet en voor hem was het antwoord op de vraag naar democratische architectuur dan ook eenvoudig: Griekenland was immers niet alleen de bakermat van de democratie, maar ook van het classicisme. En dus koos Plecnik voor een eigentijds classicisme als de architectuur van de Tsjechoslowaakse democratie, zo is te zien op de tentoonstelling Joze Plecnik, een Sloveens architect in Praag in het onderkomen van de Brusselse Stichting voor de architectuur. De expositie is grotendeels dezelfde als de Plecnik-tentoonstelling die onder de titel Josip Plecnik architectuur voor de nieuwe democratie in 1996 in Praag te zien was en sindsdien door Europa en de Verenigde Staten reist. Maar naast Plecniks werk in Praag is in Brussel ook nog een glimp te zien van de veranderingen van de Sloveense hoofdstad Ljubljana waarvoor Plecnik verantwoordelijk was als stadsarchitect in het interbellum. Bovendien zijn er ook nog enkele werken te zien uit de tijd dat Plecnik als beginnende architect in Wenen zijn eerste ontwerpen realiseerde. Zo ontstaat in Brussel een compleet beeld van het verbazend mooie oeuvre van de architect die buiten Slovenie nog steeds nauwelijks bekend is.

Plecniks eerste ontwerpen tonen nog duidelijk de invloed van Otto Wagner, de Weense evenknie van Berlage bij wie Plecnik werkte en studeerde.

Maar anders dan veel andere Wagner-leerlingen zette Plecnik niet de stap naar het Nieuwe Bouwen. Integendeel, na zijn jaren bij Wagner greep hij steeds meer terug op het classicisme en andere traditionele bouwkunst die de Nieuwe Bouwers juist als volkomen achterhaald hadden afgezworen. Plecniks werk toont het ongelijk van de Nieuwe Bouwers aan en laat zien dat ook in de twintigste eeuw de mogelijkheden van het classicisme nog lang niet waren uitgeput. Of het nu ging om kandelaren, vlaggenstokken, meubels, lampen trappen deuren, fonteinen, tuinen of kerken - steeds weer slaagde Plecnik er in een nieuwe en verbluffende draai te geven aan het oeroude classicisme. Op kleine tekeningetjes die in Brussel hangen, is te zien hoe hij dat deed. Heel intuitief en geleidelijk veranderde Plecnik een of ander overbekende vorm tot het onmiskenbaar iets twintigste-eeuws had. Dit maakte Plecnik tot de ideale architect van de burcht: zijn renovaties en toevoegingen zijn direct herkenbaar, maar detoneren nooit met de rest van de bebouwing die uit vele eeuwen stamt. Hetzelfde geldt voor zijn meubels waarvan er een flink aantal in Brussel te zien is.

Zelfs Plecniks mislukte ingrepen in de burcht zijn een succes geworden. Zo liet Plecnik tot twee keer toe in het verre Tsjechoslowaakse achterland een grote monoliet uit de rotsen hakken om als obelisk op de derde binnenplaats van de Burcht te worden opgesteld. Maar beide keren brak de monoliet in tweeen tijdens het moeizame transport, waarvan in Brussel een aandoenlijke video wordt getoond. Ten slotte besloten Plecnik en Masaryk dan maar de gebroken obelisk neer te zetten. Een betere verbeelding van de kwetsbaarheid van de democratie is niet denkbaar.

Maar al was het classicisme in het interbellum nog niet besmet, Plecnik stuitte in de loop van de jaren dertig toch op toenemend onbegrip in Praag, waar het Nieuwe Bouwen veel succes oogstte. In 1935 nam hij ontslag als architect van de burcht na een conflict met de Controlecommissie van de Staat en concentreerde hij zich helemaal op zijn werk in Ljubljana zo valt te lezen in een blaadje dat de Stichting van de Architectuur bij de tentoonstelling heeft uitgegeven. Na de Tweede Wereldoorlog raakte Plecnik in Tsjechoslowakije en ook daarbuiten in de vergetelheid. Tijdens de communistische tijd werden de eerste democratische president van Tsjechoslowakije Masaryk en dus ook zijn architect Plecnik doodgezwegen. De burcht en met name de door Plecnik ontworpen tuinen en trappen raakten opnieuw in verval. Pas onder de eerste president van het postcommunistische Tsjechie, Vaclav Havel, werd Plecnik in ere hersteld. Havel gaf opdracht tot herstel van de Plecnik-delen van de burcht. Ook stelde Havel, in veel opzichten een tweede Masaryk, een nieuwe architect van de burcht aan: de in Nederland werkende Tsjechische architect en vormgever Borek Sipek, die, vast niet toevallig, een groot liefhebber van het werk van Plecnik is.