Chesterton

In The Sunday Telegraph stond afgelopen zondag een artikel met de kop: Nederlanders dragen kaarten die zeggen: Dood me niet, dokter.

De eerste zin was: ,,Meer dan 10.000 mensen in Holland dragen sinds kort anti-euthanasie `paspoorten', omdat ze bang zijn dat ze voortijdig gedood worden door al te enthousiaste artsen als ze ziek worden.'

Dat bericht heb ik niet in Nederlandse kranten gezien, wat niet hoeft te betekenen dat het er niet was, maar waarschijnlijk wel dat het bij ons minder opvallend gebracht werd. We zouden het bericht ook anders opvatten, denk ik. We zouden niet geloven dat die tienduizend mensen echt bang waren om persoonlijk vermoord te worden, maar eerder dat de Stichting Levenswensverklaring een opvallende politieke actie had bedacht om druk uit te oefenen op de regering en op het parlement.

Wat iemand in het buitenland ziet gebeuren, neemt hij letterlijk. Het viel me eens op toen er in Nederlandse en buitenlandse kranten een foto stond van een Venetiaanse gondelier die een lap voor zijn mond droeg tegen de stank. Het werd in ieder geval letterlijk genomen door de man van het reisbureau, die me ernstig afraadde naar Venetië te gaan, maar toen ik daar kwam stonk het helemaal niet, en die wereldwijd verspreide foto bleek een onderdeel van een politieke actie te zijn geweest.

Iemand die het verschijnsel al vroeg beschreef, was de Engelse essayist G.K Chesterton, bij oudere jongeren misschien nog bekend door zijn verhalen over de priester-speurder Father Brown. In zijn boek Heretics (Ketters) staat een hoofdstuk dat Wetenschap en de Wilden heet. Het was 1905, dus wie niet in Europa woonde was voor een Engelsman een wilde. Chesterton schreef ongeveer: De wilden leggen voedsel in het graf van de gestorvenen. De wetenschapsmensen nemen het letterlijk en trekken de conclusie dat die wilden kennelijk geloven dat de doden dat voedsel in het hiernamaals opeten. Een absurde conclusie. Engelsen leggen bloemen op een graf. Omdat ze denken dat de doden nog ruiken kunnen? Natuurlijk niet. Als het in je eigen land gebeurt, begrijp je meteen dat zo'n letterlijke uitleg dwaas zou zijn.

Goed van Chesterton was ook dat hij niet de makkelijke conclusie trok dat het meegeven van voedsel, als het niet letterlijk genomen moest worden, dan wel een symbool van het een of ander zou zijn. Voor hem was het een natuurlijke menselijke handeling, die niet de pseudo-verklaring van een letterlijk of symbolisch doel nodig had. Wittgenstein zei dat ook, maar Chesterton was er veel eerder mee en deed het kernachtiger.

In datzelfde essay uit 1905 bestreed hij ook een misvatting die misschien nog steeds wel eens voorkomt: dat religie een manier zou zijn om de angst voor het onbekende te bestrijden. De primitieve mens zou bang zijn voor de bliksem, een natuurverschijnsel dat hij niet begrijpt, en daarom zegt hij dat de bliksem door een god van een berg wordt geslingerd. Dan begrijpt hij het wel, en is hij minder bang.

O ja? zegt Chesterton. Zo gevaarlijk is die bliksem anders niet, zelfs niet in de tijd dat er nog geen bliksemafleiders waren. Veel angstaanjagender dan een natuurverschijnsel dat zelden een mens doodt, is een god die bliksems naar je toe kan smijten. Pas als een natuurverschijnsel op onszelf lijkt, wordt het angstaanjagend. ,,En als het hele universum een mens lijkt, vallen we op de knieën.' Zo lijkt het misschien alsof religie een kinderachtige manier is om mensen bang te maken, maar dat was zeker niet de bedoeling van Chesterton. Hij zou het bij dat knielen eerder over een heilige huiver hebben.

Die heilige huiver was in 1905 al niet meer de oude en lijkt nu in Nederland door de televisie krachtiger uitgeroeid dan elders. Dat Engelse krantenbericht waar ik het over had was misschien overdreven angstaanjagend, maar in Nederland wordt wel erg nuchter over leven en dood gepraat. In The Sunday Telegraph werd een Duitser aangehaald die zei: stel je voor dat niet Nederland als enige land in de wereld dit liberale dodingsbeleid voerde, maar Duitsland. Dat een kwart van de Duitse artsen bij een overheidsenquête zou verklaren wel eens een patiënt het leven te hebben ontnomen zonder dat die er om gevraagd had, en dat tienduizenden Duitsers een kaart op zak droegen om zich daartegen te beschermen. Hoe zou de wereld reageren?

Niet moeilijk te bedenken. De wereld zou ontploffen van verontwaardiging, Nederland voorop.

Niettemin vraag je je af hoever dat absolute recht op leven waar de mensen van de Levenswensverklaring het over hebben, eigenlijk kan gaan. Sommige rijkaards laten zich invriezen als de dood nadert, in de hoop dat de technologie van de toekomst hen weer tot leven kan brengen. Stel je voor dat deze methode voor iedereen beschikbaar zou raken. Zouden we dan de morele plicht hebben dat ook te doen, omdat niemand het recht heeft om het van God gegeven leven te beëindigen? Zouden latere generaties de plicht hebben om al die miljarden te ontdooien en onder hen rond te laten lopen? Waarschijnlijk niet. Maar goed, je kan altijd wel rare voorbeelden bedenken om een schijnbaar absoluut standpunt te ondermijnen.

De angst om door behulpzame engelen des doods voortijdig om zeep geholpen te worden lijkt me meer gerechtvaardigd dan hier over het algemeen wordt toegegeven, maar we hebben ook een andere angst: de angst om levend begraven te worden. Gruwelijk lot, vroeger zeer zeldzaam, maar menigeen gaf toch instructies dat er voordat zijn kist dicht ging naalden in zijn lijf gestoken zouden moeten worden, en voor alle zekerheid nog een staak door zijn hart. Klassieke voorloper van de moderne euthanasieverklaring, alleen is de moderne technologische vorm van levend begraven te zijn waarschijnlijk minder zeldzaam. Maar je ervaart het nu toch niet meer? Helemaal zeker weten we dat niet.

Hoe was dat vroeger, hoe zien de traditionalisten van het absolute levensrecht dat eigenlijk, was dat schijndode leven in de kist, hoe kort en gruwelijk ook, toch heilig en altijd te verkiezen boven de dood?