Anatomie van de varkenscyclus

De varkenscyclus is niet alleen maar een theoretisch voorbeeld van hoe in de economie het aanbod te veel achter de vraag aan kan lopen. De varkensboeren weten er nu van mee te praten. Het vlees is zelden voor zo weinig geld weggegaan, ook al merkt de consument daar niets van.

De Europese Unie wil Rusland graag door een strenge winter helpen. Dat zou kunnen door middel van voedselhulp en dan bij voorkeur met varkenshazen, ham en karbonaden.

De Scandinavische lidstaten deden het voorstel eind vorige maand al. Een week later wierp commissaris van landbouw Fischler tegen dat het wat eigenaardig zou zijn voedselhulp te sturen zonder dat de Russen daarom hebben gevraagd. Bovendien zou eerst eens moeten worden bekeken wie die hulp gaat betalen, maar op voorhand kan worden gesteld dat de Europese belastingbetaler daar voor opdraait. Vorige week wist de voorzitter van de Europese Commissie, de Fransman Jacques Santer - op bezoek in Moskou die vraag toch gesteld te krijgen. Daarmee staat de kwestie in elk geval weer op de agenda.

De spontaniteit waarmee Europa de Russen te hulp wil schieten laat zich beter verklaren uit de problemen waarin varkenshouderijen in heel Europa zitten dan uit een diepgeworteld gevoel van medemenselijkheid in landbouwkringen.

In alle sectoren van de economie klinkt voortdurend de term `varkenscyclus' om het fenomeen van eb en vloed in de conjunctuur aan te duiden. Op dit ogenblik gaat het varkensbedrijf zelf in de richting van het diepste punt van die cyclus.

Door een overweldigend aanbod noteert de varkensboer dag na dag een lagere prijs voor zijn varkens en biggen. Het kan nog tot juni volgend jaar duren voor die prijzen weer aantrekken, zo heeft het Landbouw-Economisch Instituut (LEI-DLO) onlangs voorspeld in een rapport aan minister Apotheker (Landbouw).

Voor de varkensboer is dat cyclische patroon een bekend gegeven. De prijscyclus duurt meestal een jaar of vijf. Dieptepunten waren er in 1971 1974, de periode '79 tot '81, het seizoen '87/'88 en '93/'94.

Tussen die dieptepunten waren er wel momenten dat de prijzen wat onder druk stonden maar sprake van dramatische toestanden waarbij boeren ver beneden de kostprijs werken was er niet.

Het aanbod van varkens wordt niet bepaald door de vraag naar vlees, maar door het aantal dekkingen en inseminaties, die negen tot tien maanden eerder plaatshadden. Dat heeft te maken met het `productieproces' in de buik van de zeug en het afmesten van de biggen dat daarna gebeurt. Dat productieproces neemt dus een tot twee jaar. De prikkel om flink veel te insemineren wordt gegeven als de prijzen hoog zijn. Het aanbod van varkens en varkensvlees kan zich daarna niet meer adequaat aanpassen aan de vraag en dus duikelen de prijzen. Als de prijzen laag zijn wordt de boer weer terughoudend met insemineren waardoor enige tijd later het aanbod afneemt en de prijzen weer aantrekken.

Anders dan bij de teelt van bijvoorbeeld aardappelen uien en graan is er bij varkens geen sprake van klimatologische invloeden. De uitbraak van de Klassieke Varkenspest bijna twee jaar geleden heeft wel laten zien dat het aanbod van varkens duidelijk wordt beinvloed door een epidemie, zeker wanneer die belangrijke marktspelers als Nederland Duitsland en Spanje tegelijkertijd treft.

Omdat Nederland - net als Denemarken - zo'n belangrijke exporteur is van zowel geslachte als levende dieren hebben varkenshouders hier vooral te maken met een Europees prijsniveau. Normaal gesproken heeft Nederland binnen de Europese Unie een marktaandeel van ruim tien procent. Belangrijkste concurrenten zijn Duitsland, Spanje en Frankrijk.

Voor Nederland betekent dat exporteren wel hoge transportkosten, en om concurrerend te kunnen blijven is het prijsniveau bijgevolg hier doorgaans lager dan in andere lidstaten.

Dat heeft tot gevolg dat als de prijzen elders laag zijn de varkenshouders hier nog minder krijgen, zeker als zij willen blijven concurreren op die buitenlandse markt.

Dat er een varkenscyclus is heeft ook te maken met het feit dat de Europese Commissie de markt goeddeels zijn gang laat gaan. Bij melk, suiker en graan werkt Brussel met productierechten en prijsgaranties. In het geval van varkens spreekt Brussel van een `lichte marktordening'. Dat wil zeggen dat exporteurs subsidie - exportrestituties - krijgen als zij varkensvlees buiten de grenzen van de EU verkopen. Daarnaast krijgen ze in geval van crisis zoals nu het geval is, financiele steun om het vlees zelf in vrieshuizen op te slaan.

De consument merkt intussen vrijwel niets van de prijzencyclus. De varkensboer beurt in topperioden zestig tot honderd procent meer voor zijn varkens dan nu. Voor de consument is er een marge van nauwelijks een procent of zeven, zo berekende het LEI in de periode '92-'96.

De vraag van die consument is stabiel en blijkt weinig elastisch, ook niet als er iets met de prijs gebeurt. Alleen het seizoen blijkt daarop enige invloed te kunnen hebben. Op een warme zomerse dag wil hij nog wel eens achter een overladen barbecue gaan zitten. Hij schakelt normaal gesproken ook niet ineens over op rundvlees. Wel neemt het aandeel van kip op het Nederlandse menu gestaag toe.

In '96 '97 en begin '98 waren de prijzen steeds relatief hoog. De varkenshouder kreeg meer dan 90 gulden voor een big en meer dan drie gulden voor een kilo vlees. Dat die periode van hoge prijzen lang duurde heeft ook te maken met de uitbraak van varkenspest in Nederland en Duitsland. Voor zover boeren niet door de varkenspest waren getroffen hebben ze dus goed verdiend.

Dat geldt voor de hele EU. En met die inkomsten zijn de bedrijven ook flink uitgebreid. Uit cijfers van de Europese Commissie blijkt dat er dit jaar 5,8 procent meer varkens op de markt kwamen dan vorig jaar. Grote groeiers zijn vooral Denemarken, Spanje en - niet verwonderlijk na het herstel van de pest - Nederland. Ook dit voorjaar is er meer geinsemineerd dan in '97. Het aanbod van varkens zal dus nog wel even blijven stijgen. Volgens het LEI zijn de prijzen op dit ogenblik onder het `kritische niveau'. Een aantal bedrijven zal dus op de fles gaan of omschakelen op bijvoorbeeld pluimvee. In elk geval zal door de huidige lage opbrengstprijzen een aanbodvermindering in gang worden gezet, die na negen tot tien maanden tot hogere prijzen leidt. Zo moet de sector weer uit het dal komen.

Het LEI wijst bij die prognose wel op een aantal onzekerheden. Zo zou de recente uitbraak van varkenspest in Duitsland van forse invloed kunnen zijn op de markt, zeker als die epidemie omvangrijke vormen aanneemt. Een andere onzekerheid vormt de vraag wat er met het Britse pond gaat gebeuren, omdat het Verenigd Koninkrijk niet in de euro participeert. Vraag is ook hoe de nu ingestorte exportmarkten in het Verre Oosten zich zullen ontwikkelen.

De grootste onzekerheid is echter wat die voedselhulp aan Rusland gaat inhouden. Als de exporteurs de `superrestituties' gaan krijgen waar Frankrijk om vraagt zal de productie duidelijk minder dalen, omdat die hoe dan ook interessant is. Maar dat zal uitstel van executie blijken, want ook in Rusland komt er een eind aan de winter.